Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Hij bootste het sissend geblaas na van de getijgerde slaDg.

Plotseling, als op een tooverslag, werd de geheele granietmassa van boven tot onder verlicht en zag men een aantal toortsen, door onbestemde spookachtige gestalten gedragen, snel langs de steile hellingen afdalen, met bewonderenswaardige vlugheid voortspringende, tot zij bij de verbaasde reizigers kwamen, die zich op eens omringd zagen door een vijftigtal mannen in vreemde kostumen, en met alles behalve uitlokkende gezichten, nog schrikbarender door het laaie licht der vlammende fakkels, dat de wind in alle richtingen joeg.

„Dat is mijn volk," zeide de onbekende lakoniek.

„Zoo!" riep Valentin, „gij hebt een geduchte armee."

„Ja," zei de Zoon des Bloeds, „want al die mijnen zijn onbepaald aan mij gehecht. In menige ontmoeting had ik de gelegenheid hunne trouw op de proef te stellen; zij zijn voor mij als lijftrawanten, die zich op een wenk van mij zouden laten dooden."

„O! o!" riep de jager, „hij die zoo spreken kan is wel sterk, vooral wanneer hij eene eervolle zaak beoogt."

De onbekende antwoordde niet, maar wendde zich om en vroeg:

„Waar is Shaw?"

„Hier ben ik, meester," zei de geroepene, terstond voorkomende.

„Hoe is dat!" riep Valentin, „Shaw, de zoon van den Roode-Ceder!"

„Ja! Heb ik hem het leven niet gered, dat zijn broeder hem wilde ontrukken? daardoor komt hij mij rechtens toe. Welaan, mijne heeren," vervolgde hij, „treedt binnen, blij ven wij hier niet langer staan, ik zal u mijn huis laten zien.Zorg voor de paarden, Shaw."

De jongman boog. De reizigers volgden den onbekende, die voorafgegaan van eenige fakkeldragers de steile helling der granietrots reeds beklauterde.

De opklimming ging niet gemakkelijk. Intusschen kon men onder de distels, lianen en mosplanten, die er over heen waren gegroeid, nog duidelijk de ruwe treden van een trap onderkennen.

De reizigers waren over dit alles niet weinig verbaasd; alleen Valentin en Curumilla legden eene geveinsde onverschilligheid aan den dag, die hun gids niet ontging en hem vrij wat te denken gaf.

Nauwelijks hadden zij den berg voor een derde beklommen, of de onbekende bleef staan voor eene door menschelijke kunst gevormde holte, welks ingang eene heldere lichtstraal liet doorschemeren.

„Gij hebt zeker niet verwacht, caballeres," zei de onbekende, zich tot zijne gasten wendende, „dat gij hier in het Verre Westen, nog een soort kasteel zoudt vinden gelijk dit."

„Ik moet bekennen," riep don Miguel, „dat het mij zeer wonderbaar voorkomt."

„Nu, mijne vrienden, dan moet ik u zeggen dat uw geheugen u een poets speelt," glimlachte Valentin; „als ik mij niet bedrieg, is deze berg niets anders dan eene téocali."

Sluiten