Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

gelijk gij zult goedvinden, en ik, als de eerste onder hen, zal hun het voorbeeld geven van gehoorzaamheid."

„Hoor eens," hernam Valentin, na zich een oogenblik bedacht te hebben, „wij hebben met een uitgeleerden bandiet te doen, wiens voornaamste wapen in list bestaat; het is alleen door tegenlist dat wij hem zullen kunnen overwinnen. Een aanzienlijke troep is in de woestijn spoedig ontdekt, en de Roode-Ceder heeft de oogen van een valk ei* den reuk van een hond; hoe sterker in aantal wij zijn, hoe minder wij er in slagen zullen hem te achterbalen."

,.Wat dan gedaan, vriend?" vroeg don Miguel.

„Dit," antwoordde Valentin: „hem insluiten, dat is, hem van alle kanten omsingelen in een kring daar hij niet uit kan en dit kunnen wij alleen doen door ons de Indianen in de prairie tot bondgenooten te maken; maar met dien verstande, dat al deze bondgenooten afzonderlijk te werk gaan, tot het ons eindelijk gelukt den ellendeling zoo in de engte te drijven, dat hij gedwongen is zich over te geven."

„Ja, uw idee is goed, ofschoon hoogst gevaarlijk en moeielijk in de uitvoering."

„Veel minder dan gij denkt," hervatte Valentin met vuur. „Hoor eens: morgen ochtend met het krieken van den dag, gaan Curumilla en ik op weg om den Roode-Ceder op te sporen, en ik zweer u dat wij hem vinden zullen."

„Goed," riep don Miguel, „en dan?"

„Wacht even: terwijl een van ons dan den bandiet blijft in het oog houden, gaat de andere u verwittigen waar bij zich bevindt. Ondertusschen zult gij verbintenissen met de Indianen hebben aangegaan en ruimschoots in staat zijn om het everzwijn in zijn hol te overrompelen."

„Ja," zei de Zoon des Bloeds, „dat is eenvoudig en goed en moet daarom zeker slagen. Het is een strijd van slim overleg, ziedaar alles."

„Ja!" riep generaal Ibanez, „maar waarom kunnen wij hem ook niet opsporen?"

„Omdat gij, generaal," antwoordde Valentin, „ofschoon zoo dapper als uw degen, te veel militair zijt; waarmede ik wil zeggen, dat gij niets van den Indiaanschen oorlog begrijpt, een oorlog, die geheel uit hinderlagen en verraderlijke overrompelingen bestaat. Gij en uwe vrienden, ondanks uw welbekenden moed, en ik zou bijna zeggen uithoofde van dezen moed, zoudt ons meer schade dan voordeel aanbrengen, door uwe onkunde aangaande het land waar wij ons bevinden en de zeden der lieden die wij te bestrijden hebben."

„Dat is waar," zei don Miguel, „onze vriend heeft gelijk, wij moeten hem laten begaan. Ik ben zeker dat hij zal slagen."

„En ik ook," riep Valentin met volle overtuiging, „juist daarom wil ik den vrijen loop hebben, om geheel naar goedvinden te kunnen handelen."

Sluiten