Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

moest een einde aan komen. Ongelukkigerwijs had het den vrijbuiters tot dusver aan middelen ontbroken om een grooten slag te slaan, en het dwangjuk af te werpen dat de Zoon des Bloeds zoo zwaar op hunne schouders deed wegen. Zij aarzelden dus, gelijk wij reeds gezegd hebben, geen oogenblik om het voorstel' van den Roode-Ceder aan te nemen.

Dit volkje kende den bandiet sedert jaren, hij was vroeger zelfs gedurende eenigen tijd hun chef geweest, maar destijds waren zij nog beschaafde vrijbuiters, als men deze uitdrukking kan bezigen, ten aanzien van lieden, die hun bestaan aan de grenzen der Amerikaansche Unie zochten, door de eenzame landhoeven af te loopen en er de weerlooze bewoners te vermoorden of uit te plunderen.

Hunne bende, die destijds een vijftig koppen telde, was van lieverlede, dank zij de waakzaamheid van den Zoon des Bloeds, die hen in de woestijn als wilde dieren vervolgde, tot een tiental personen versmolten, die letterlijk genoodzaakt waren om van de opbrengst der jacht te leven of van de meer en meer zeldzame gelegenheid tot roof, van een of ander afgedwaald reiziger, die het ongelukkig toeval te dicht in de nabijheid van hun roofnest bracht.

Geheel onkenbaar onder het Indiaansche kostuum dat zij droegen, meenden de enkele reizigers, die levend aan hunne handen ontsnapten, werkelijk dat zij door de Roodhuiden waren uitgeplunderd.

Dit incognito was hunne veiligheid, en veroorloofde hun zelfs om van tijd tot tijd wat zij geroofd hadden in de havensteden te gaan verkoopen.

Wij hebben gezegd dat de troep uit tien mannen bestond, maar dat is niet geheel juist, daar een van deze tien eene vrouw was.

Het aanwezen dier vrouw onder zulk eene bende mocht inderdaad een zonderling verschijnsel heeten; nauwelijks twintig jaar oud met fijne gelaatstrekken, groote zwarte oogen, eene ranke en buigzame gestalte, heerschte deze vrouw te midden dezer mannen zonder eer of geloof, als meesteres met al den trots van haar uitmuntend verstand, ontembaren moed en ijzeren wil.

De vrijbuiters hadden voor haar een schier bijgeloovigen eerbied, daar zij zich niet recht rekenschap van konden geven, en gehoorzaamden zonder murmureeren tot hare minste luimen, altoos gereed om haar te behagen en te dienen, ja om zich op een wenk van hare rozenvingers, desnoods, te laten dooden. Zij was om zoo te zeggen hun palladium.

Het meisje was zich volkomen bewust van de macht die zij over hare verschrikkelijke voogden uitoefende, en zij wist er onder alle omstandigheden gebruik van te maken, zonder dat iemand er zich tegen had durven verzetten.

Zelfs de Indianen, door hare bevalligheid en levendigheid en de wegsleepende bekoorlijkheid der jeugdige schoone vervoerd, hadden haar den bijnaam van de Witte-Gazelle (Voki Vokammast)

Sluiten