Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

gegeven, een naam die zoo goed met hare eigenzinnige maar bevallige manieren overeenkwam, dat men dien algemeen aangenomen had en zij onder geen anderen bekend was.

Zij droeg een kostuum van eigen vinding, buitensporig, wild en fantastisch boven alle verbeelding, maar dat bijzonder goed stond bij de zachte, ofschoon vastberaden en min of meer romaneske uitdrukking van haar gelaat.

Dit kostuum bestond in een zeer wijde Turksche broek van Oost-Indisch cachemire, aan de knieën met diamanten kousebanden vastgemaakt; laarsjes van gerimpeld dassenvel beschermden hare beenen en omepanden hare kleine voeten; aan de hielen zaten massief gouden Mexicaansche sporen; pistolen met dubbelen loop en een ponjaard in zilveren schede staken in een gordel van Chineesch krip, die haar fijne, ranke en buigzame gestalte omsloot. Een jakje of vest van gestippeld violet fluweel, op de borst met een schat van juweelen versierd, deed hare schoone vormen goed uitkomen. Een zarape navajo van de schitterendste kleuren, aan den hals met een robijnen haak vastgemaakt, diende haar tot mantel, en een Panama hoed van het fijnste stroo (doble paja) versierd met een arends-veêr dekte haar hoofd, terwijl onder den breeden rand de volle gitzwarte lokken in zwierige wanorde over hare schouders golfden, die, zoo zij niet door een lint waren opgehouden, waarschijnlijk tot op den grond zouden hebben afgehangen.

Deze jonge dame sliep reeds toen de Roode-Ceder in de grot aankwam.

De roovers waren gewoon nooit iets te doen buiten hare toestemming.

„De Roode-Ceder is iemand dien wij ten volle vertrouwen kunnen," zei Pedro Sandoval, op de zaak terugkomende; „maar wij kunnen hem geen antwoord geven eer wij de nina om raad hebben gevraagd."

„Dat is waar," stemde een ander toe; „daar dus alle verdere redeneering nutteloos zoude zijn, geloof ik dat wij niet beter kunnen doen dan het voorbeeld van den Roode-Ceder volgen en te gaan slapen."

„Krachtig geredeneerd," riep een der bandieten, Ourson genaamd, een kort en dik mannetje, met een onedel gezicht, grijze oogen en een mond van het eene oor tot het andere, in welke a|s hij lachte zich een dubbele rij witte tanden liet zien, zoo groot en spits als van een verscheurend dier; „en hiermede, goeden nacht, ik ga slapen."

De overige vrijbuiters deden hetzelfde en na verloop van een paar minuten heerschte in de grot de diepste stilte, daar de bewoners, dank zij bare sterke stelling, geen gevaar te vreezen hadden en gerust sliepen.

Met het krieken van den dag opende de Roode-Ceder de oogen

Sluiten