Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

En de Witte-Gazelle klopte den ouden bandiet minzaam op den schouder, terwijl zij hem vriendelijk toelachte.

Inderdaad was het jonge meisje een betooverend schepsel; zij was reeds gedost in het vroeger door ons beschreven kostuum, alleen had zij nu een elegante met zilver ingelegde karabijn in de hand.

Sandoval beschouwde haar een poosje met innige bewondering en antwoordde toen met eene bewogen stem:

„Bonjour, kindje, goed gerust van nacht?"

„Onverbeterlijk; ik gevoel mij dezen morgen dol vroolijk."

„Des te beter, lieve kind, des te beter! want ik heb u juist een oude kennis voor te stellen, die zeer verlangt u te zien."

„Ik weet al van wien gij spreekt, vader," antwoordde het meisje; „ik sliep niet toen hij gisteren avond nog zoo laat aankwam, en al had ik geslapen, zou het leven dat gij maaktet wel voldoende zijn geweest om mij te doen ontwaken."

„Gij hebt dus ons gesprek gehoord?"

„Van het begin tot het einde."

„En wat dunkt gij er van?"

„Eer ik u antwoord geef, moet gij mij zeggen wie het zijn die wij te bestrijden zullen hebben."

„Weet gij dat nog niet?"

„Als ik het wist, zou ik het u immers niet vragen."

„Och! het zijn Amerikanen, geloof ik."

„Maar welke Amerikanen? Zijn het gringo's of gachupines?"

„Mijn help, met zulke fijne onderscheidingen heb ik mij niet afgegeven; voor mij zijn alle Amerikanen eenerlei, en als ik maar weet dat het daarop losgaat, vraag ik verder niets."

„Dat is wel mogelijk, oude vader, voor u," antwoordde het meisje min of meer gebelgd, „maar voor mij maakt de een of de ander een groot verschil."

„Ik zie niet in, waar die keurigheid toe dient," zei Sandoval.

„En ik ben vrij om te denken wat mij behaagt, zoo ik meen," riep zij vinnig; terwijl zij stampvoette van ongeduld.

„Ja, kindje, ja.... maar laten wij niet boos worden, bid ik u."

„Zeer goed, maar let dan eens wel op hetgeen ik u zeggen zal: die Roode-Ceder is iemand daar ik mij in geenen deele aan zou willen toevertrouwen. Hij bejaagt altijd het een of ander duistere doel, daar zijne bondgenooten niets van mogen weten; zij dienen hem slechts tot voetbank in al zijne ondernemingen, en komen er altijd met schade of schande af als hij hen niet langer noodig heeft. De zaak die de Roode-Ceder u voorstelt is machtig mooi op het oog, maar denkt men er goed over na, dan kan zij in plaats van ons voordeel te verschaffen, ons integendeel veel onaangenaamheden veroorzaken en, wat erger is, ons in een wespennest steken, daar wij niet weer uit kunnen."

„Dus zoudt gij mij raden om het af te slaan?"

„Dat zeg ik juist niet, maar ik zou eerst willen weten hoe gij

Sluiten