Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

denkt te handelen en welke kansen wij hebben om "oed te slagen." D

Onder dit gesprek waren de overige bandieten uit hunne cellen gekomen en hadden zich rondom de beide sprekers geschaard wier redeneering zij met de grootste belangstelling volgden.

,,Inderdaad, mijn lieve kind, als ik weet wat gij zeggen wilt," hernam Sandoval. „Gisteren avond heeft de Roode-Ceder ons over de zaak gesproken, en kwam zij ons zeer aannemelijk voor; maar als gij er geen zin in hebt, zien wij er van af; laten wij er dan niet verder van spreken, niets is gemakkelijker dan dat."

„Zie, zoo zijt gij nu altijd, Sandoval, men kan onmogelijk met u redeneeren; bij de minste tegenwerping die men u maakt, wordt gij boos en wilt de redenen niet aanhooren die men gereed is u op te geven."

„Ik word niet boos, kindlief, ik zeg u maar hoe het met de zaak staat. Maar, stil! daar is de Roode-Ceder, nu kunt °ii hem zelf spreken." öJ

„Dat zal niet veel tijd kosten," antwoordde het meisje; en zich terstond naar den Squatter omkeerende, die juist de grot binnenkwam met een prachtigen eland dien hij pas geschoten had en thans op den grond wierp, zeide zij:

„Een enkel woord, Roode-Ceder."

„Of twintig, als u dat aangenaam is, bekoorlijke Gazelle," riep de bandiet met een gedwongen glimlach, die hem allerleelijkstafging.

„Neen, een is voldoende. Wie zijn die lieden, daar gii het tegen hebt?" ÖJ

„Eene Mexicaansche familie."

„Het is de naam van de familie, dien ik u vraag."

„Dien naam zal ik u zeggen; het is de familie de Zarate, een der machtigsten van Nieuw-Mexico."

Bij dit antwoord kwam er op eens een levendig rood op haar gelaat en gaf zij blijken van diepe ontroering.

„Tevens heb ik plan," vervolgde de Squatter, dien de blos van het meisje niet ontging, „om zoodra wij sterk genoeg zijn, met den Zoon des Bloeds af te rekenen, dien duivel, die ons zooveel leed en schade heeft berokkend."

„Goed!" riep zii met klimmende ontroering.

De verschrikte bandieten zagen het meisje verbaasd aan.

Eindelijk, na hevige inspanning, gelukte het de Gazelle den schijn van hare vorige koelbloedigheid te hernemen, en thans het woord tot de vrijbuiters richtende, zeide zij met eene luide maar min of meer haperende stem, die nog altijd hare inwendige gejaagdheid verried:

„Dat verandert de geheele zaak. De Zoon des Bloeds is onze bitterste vijand. Als ik dat dadelijk geweten had, zou ik mij niet tegen de onderneming hebben verzet, zoo als ik straks deed."

„Derhalve...vraagde Sandoval.

Sluiten