Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

XI.

DE APACHEN.

De kleine schaar galoppeerde in de diepste stilte door eene woeste en eenzame landstreek, waar geen spoor van menschelijken arbeid of kunst te vinden was, maar wier ontzagwekkende majesteit in allen deele getuigde van de oneindige macht des Scheppers, terwijl zij de ziel in zachte mijmeringen deed wegzinken.

Het was een dier koele maar schoone herfstmorgens, die het reizen zoo zeer veraangenamen. De zon rees statig uit de kimmen en verspreidde eene levenswekkende warmte over de pas ontwaakte natuur, die haar scheen toe te lachen.

Als men de oogen om zich heen over de dalen liet weiden, scheen alles met wit en blauwachtig grijs besprenkeld. Aan de toppen der rotsachtige heuvels zag men, als groote champignons, verweerde uitgebrokkelde steenklompen uitsteken van de zonderlijkste en grilligste vormen. De bodem dezer heuvels had eene lichtgrauwe kleur en vertoonde slechts eenige verwelkte planten, die met dor blad en met hulzen beladen waren.

Op de vlakte was al het gras geel geworden; hier en daar in de verte zag men eenige oude bisons, als zwarte stippen in de prairie verspreid.

Vliegende sprinkhanen, sommige met bruine, witgepunte, andere met roode vlerken, maar de meesten lichtgeel van kleur, waren zoo talrijk, dat zij op eenige plaatsen letterlijk den grond bedekten.

Op betrekkelijk geringen afstand verhief zich de hooge berg de Beren-Hand, door de Navajoes Kiaiou-Tiss *) genaamd, welks top reeds met eene dunne laag sneeuw bedekt was.

De raven, kraaien en spreeuwen met gele borst, beschreven groote kringen in de lucht, terwijl eene menigte bisons, elanden, asshatas en langhorens in alle richtingen rondhuppelden of liepen schreeuwen en balken.

De vrijbuiters, ongevoelig voor den indruk van het hen omringende landschap en geen andere begeerte of drift kennende dan de hoop op buit, reden spoorslags naar het dorp van den stam der Bisons, waar Stanapat, dat is Hand-vol-Bloed, Sachem of eerste opperhoofd was. Ongevoelig naderden zij den oever der Rio-Gila, welke rivier, ofschoon nog onzichtbaar, hare nabijheid reeds aankondigde door een massa dampen, die uit hare bedding opstegen en er als eene majestueuze rookwolk boven hingen, welke door de steeds heeter en heeter wordende zonnestralen meer en meer werd opgetrokken.

Tegen den middag maakte de troep halt om de paarden te laten uithijgen; maar dank zij het ongeduld van den Roode-Ceder

i) Van fCiaiou, beren, Tiss, hand.

Sluiten