Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

bisonsmantels zwaaiende, voorwaarts, tot op omtrent tien passen van den jager, waar zij bleven staan.

„Wat verlangt mijn broeder van de krijgslieden onzes volks?" vroeg een der twee op hooghartigen toon. „Weet hij niet dat de strijdbijl tusschen de blanken en Roodhuiden opgegraven is, of komt hij ons uit eigen beweging zijn hoofdhaar brengen, eer het ons lust het hem zelf te komen ontnemen?"

„Is mijn broeder een opperhoofd?" vroeg de vrijbuiter, zonder zich te verroeren.

„Ik ben een opperhoofd," antwoordde de Indiaan, „mijne zonen noemen mij de Zwarte-Kat."

„Zeer goed," vervolgde de Roode-Ceder; „dan zal ik mijn broeder antwoorden. Ik weet ja, dat de oorlogsbijl sedert lang opgegraven is tusschen de Groot-Harten van het Oosten, den Zoon des Bloeds en de Apachen. Wat mijn hoofdhaar betreft, daar heb ik veel zwak op om het nog wat te behouden, hoe grijs het ook wezen mag, en ik ben geenszins voornemens om het mij te laten ontrooven."

„Dan is mijn broeder niet zeer voorzichtig, dat hij zich van zelf in onze handen komt leveren."

„Dat zal de uitkomst nog moeten leeren. Wil mijn broeder de voorstellen hooren die ik in last heb hem te doen?"

„Dat mijn broeder spreke, maar zoo kort mogelijk, want mijne zonen wachten mij."

„Wat ik te zeggen heb gaat niemand aan dan de Zwarte-kat."

„Mijne ooren zijn geopend."

„Ik kom mijn broeder den bijstand van mijne kameraden en van mij zeiven aanbieden, met andere woorden, de elf beste schutters uit de prairie. Rondom het vuur van den raad zal ik aan de opperhoofden nader verklaren wat wij doen kunnen om hen tegen hun onverzoenlijken vijand den Zoon des Bloeds bij te staan."

„De Zoon des Bloeds is een lafhartige hond," antwoordde het opperhoofd, „de Indiaansche vrouwen verachten hem. Mijn broeder heeft goed gesproken, maar de blanken hebben eene dubbele tong; welk bewijs geeft mijn broeder mij van zijne oprechtheid?"

„Dit," antwoordde de bandiet, onverschrokken voorwaarts komende, tot hij den Indiaan bijna aanraakte, „ik ben het dien men den Roode-Ceder, den scalpenjager noemt."

„Ooah!" riep het opperhoofd, terwijl zijn oog fonkelde met bliksemenden gloed.

De Squatter vervolgde zonder aarzeling:

„Ik zelf heb eene rekening met den Zoon des Bloeds te vereffenen; om daartoe te geraken kom ik tot u, die tot op heden mijne vijanden waart en aan wie ik veel kwaad heb gedaan; maar ik stel mij en mijne metgezellen vrijwillig en zonder voorbehoud in uwe handen en breng u als bewijs mijner oprecht-

De Roovers der Prairiën. 5

Sluiten