Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

brengen, waar zij zeggen onder de Langmessen van het Westen goede verstandhouding te hebben. Wat wachten wij dan nog? Laten wij den oorlogskreet aanheffen en onmiddellijk op marsch gaan; elk uitstel kan voor ons noodlottig worden, daar het onze vijanden tijd zou geven om zich op een wanhopigen tegenstand voor te bereiden, op welken al onze pogingen zouden schipbruik lijden. Dat mijne broeders hierover nadenken. Ik heb gezegd."

„Mijn broeder heeft goed gesproken," antwoordde Stanapat; „wij moeten onze vijanden als een donderslag op het lijf vallen; tegen een onverhoedsche overrompeling zullen zij niet bestand zijn, maar laten wij in alles voorzichtig te werk gaan.Waar zijn de blanke jagers?"

„Hier," antwoordde de Zwarte-Kat.

„Dan verzoek ik," hervatte Stanapat, „dat zij dadelijk door den raad gehoord worden."

De andere opperhoofden bogen toestemmend.

Toen stond de Zwarte-Kat op en begaf zich naar de vrijbuiters, die met ongeduld den uitslag van de beraadslagingen der Sachems afwachtten.

XII.

DE ZWARTE-KAT.

Tot recht verstand der volgende gebeurtenissen, zijn wij verplicht naar de twee jonge meisjes terug te keeren, die wij verlieten op het oogenblik toen zij onder geleide der Canadeesche jagers Harry en Dick aan het kamp van den Roode-Ceder waren ontsnapt.

De vluchtelingen maakten eenige minuten voor het opgaan deizon halt op een kleine landtong of zandbank, die als een soort van kaap, ettelijke ellen in de Rio-Gila vooruitsprong, op een punt waar de rivier tamelijk diep was, en van waar men beiden, den stroom en de prairie, kon overzien.

In de Woestijn was alles kalm en rustig; de onstuimige Gila rolde hare geelachtige wateren bruisend voort tusschen twee met houtgewas dicht bezette oevers.

In de welige bosschages van het donkerste groen zongen duizenden vogels hun luidruchtig morgenconcert, nu en dan doormengd met het loeien der bisons en het schreeuwen der elanden.

Het eerste waar de jagers voor zorgden, was het aanleggen van een vuur om hun morgenmaaltijd te bereiden, terwijl de paarden aan het voor- en achterbeen gekluisterd zich vergastten op het frissche loof der jonge takken.

„Waarom zullen wij nu reeds rust nemen, Harry?" vroeg Ellen, „daar wij nog nauwelijks drie uren gereden hebben?"

„Wij weten niet wat ons over een uur wachten kan, miss Ellen,"

Sluiten