Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

antwoordde de jager, "wij moeten van het oogenblik rust dat de Voorzienigheid ons geeft, gebruik maken om onze krachten te herstellen."

Het meisje liet het hoofd hangen en zweeg. Het maal was spoedig gereed en zoodra het was afgeloopen stegen de vluchtelingen te paard.

De vlucht begon opnieuw.

Op eens klonk er een zonderling geluid door het hooge gras en een veertigtal Indianen, als waren zij plotseling uit den grond opgerezen, omsingelden de jagers en meisjes aan alle kanten.

In het eerste oogenblik meende Ellen en hare metgezellen dat deze mannen tot den stam der Coras behoorden en dat het de krijgslieden waren die hun door de Arends-Veer zouden worden toegezonden; maar deze vergissing duurde niet lang, daar een tweede oogopslag genoeg was om hen als Apachen te herkennen.

Dona Clara, ofschoon in 't eerst door dezen onverwachten aanval verschrikt, had bijna oogenblikkelijk hare gewone bedaardheid teruggekregen, daar zij begreep dat er aan geen tegenstand te denken viel.

„Gij zoudt u te vergeefs voor mij opofferen," zeide zij tot de Canadeezen; „laat mij provisioneel in de macht dezer Indianen, die ik minder vrees dan de gambusino's van den Roode-Ceder. Vlucht intusschen, Ellen! vlucht, mijne vrienden."

„Neen!" riep het Amerikaansche meisje met kracht, „ik wil met u sterven, mijne lieve!"

„De beide vrouwen moeten ons volgen, zoowel als de blanke jagers," klonk het bevel van een der Indianen.

„Met welk oogmerk?'' vroeg dona dara zachtzinnig.

Op een wenk van het opperhoofd, maakten twee Indianen zich meester van het Mexicaansche meisje en bonden haar vast op haar paard, maar zonder echter het minste geweld te gebruiken.

Met een behendigen greep tilde Harry Ellen uit haar zadel, wierp haar dwars voor zich op den hals van zijn paard, en toen een wanhopigen sprong wagende, rende hij, gevolgd door zijn kameraad, op den dichten drom der Roodhuiden in.

Zich van hunne geweren als knotsen bedienende, begonnen zij met de kolven de Apachen links en rechts neer te beuken.

Eenige oogenblikken had er een vreeselijk gevecht plaats.

Eindelijk, na ongehoorde pogingen, gelukte het Harry om er zich doorheen te slaan en spoorloos te verdwijnen, de dochter van den Roode-Ceder met zich voerende, die door den schrik in zwijm was gevallen.

Minder gelukkig dan hij, was Dick, die na twee of drie Indianen te hebben neergeslagen, van zijn paard werd geworpen en met een lanssteek aan den grond werd genageld.

Terwijl de jonge man viel, wierp hij nog een wanhopigen blik naar het meisje, dat hij zoo gaarne had willen redden en voor hetwelk hij zich te vergeefs had opgeofferd. Een Indiaan stortte zich op zijn lijk, rukte hem den haarschedel af en zwaaide dien met

Sluiten