Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

woest geschreeuw en gelach, in bloedigen triomf onder de oogen van dona Clara, die half dood was van schrik en teleurstelling De Roodhuiden vertrokken thans in galop, hunne prooi met zich voerende.

De Indianen hebben grootendeels hunne vroegere gewoonte afgelegd om de gevangenen te mishandelen, vooral wanneer die gevangenen vrouwen zijn. De oplichters van dona Clara behandelden baar dus met zachtheid en onderscheiding.

Deze Indianen behoorden tot eene oorlogsafdeeling der Apachen, van ongeveer honderd man, onder kommando van het vermaarde en ons reeds bekende opperhoofd de Zwarte-Kat. Allen waren voortreffelijk gewapend, en bereden schoone en goed gedresseerde paarden.

Onmiddellijk na den roof van het jonge meisje, reden zij in vollen galop naar de prairie terug, en begonnen een dier ongelooflijk snelle wedrennen, zooals men ze alleen in de woestijn ziet, en die bijna zes uren werd volgehouden, met oogmerk om hunne mogelijke vervolgers een goed eind vooruit te komen.

Tegen den avond hielden zij stil aan de boorden der Rio-Gila. Op dit punt stroomde de rivier statig tusschen twee steile oevers uit groote rotsblokken bestaande, wier afgebrokkelde kanten dè wonderbaarste vormen vertoonden.

De grond was overigens met gras van meer dan drie voet hoogte

bedekt, behalveeenigealleenstaandeboomgroepenenkreupelboschjes

die hier en daar de vlakte aangenaam verdeelden, waar in de verte talrijke kudden bisons, elanden en langhorens liepen te grazen.

De Indianen legerden zich op den top van een kleinen heuvel, vanwaar zij den ganschen omtrek mijlen ver konden overzien. Groote vuren werden ontstoken en zij bereidden zich voor den nacht, om de andere krijgslieden van hun detachement af te wachten, die zich op deze plaats bij hen zouden voegen.

Dona Clara werd afzonderlijk in eene tent van bisonsvellen gehuisvest, in welke men een klein vuur had aangelegd, daar de nachten in dit vergevorderde jaargetijde in de prairie van het verre Westen reeds koud zijn.

Aan het leven der woestijn gewoon en met de gebruiken der Indianen genoegzaam bekend, zou het jonge meisje zich geduldig in haar toestand hebben geschikt, zoo zij niet gefolterd ware door de gedachte aan het ongeluk dat haar sinds den laatsten tijd zoo bitter vervolgde, of aan haar vader, van wiens lot zij geheel onkundig was. Op een stapeltje bisonsvellen bij het vuur zittende, deed zij haar maal met eenige stukken gebraden elandenvleesch en een dronk smylaxwater, en dacht somber na over de wisselvallige en treurige gebeurtenissen die den dag hadden gekenmerkt, toen de gordijn aan hare tent onverwachts werd opgeheven en de Zwarte-Kat voor haar stond.

De Zwarte-Kat was een man van groote gestalte, meer dan zestig jaar oud, maar nog zonder een enkel grijs haar in zijn baard

Sluiten