Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

maken, door welke hij den ondergang zijner vijanden, de Bleekgezichten, hoopte te verzekeren.

Toen dona Clara zich alleen bevond, zonk zij in diepe verslagenheid op een hoop droge bladeren neder en liet aan hare tranen den vrijen loop. De hut die haar tot gevangenis diende, geleek naar al de anderen in het dorp; zij was rond en van bovenlicht gewelfd; de ingang werd door een vooruitspringend portaal beschermd, en gesloten door een gedroogde bisonshuid, die over gekruiste stokken was gespannen. Midden in het dak was eene opening om den rook door te laten, en bekleed met een soort van kooi of ronden koker van mandewerk. Overigens was de hut zeer ruim, zindelijk en zelfs licht genoeg.

De wijze, waarop men deze hutten bouwt, is hoogst eenvoudig. Zij bestaan uit elf tot vijftien palen van vier of vijf voet hoog boven den grond, tusschen welke andere, veel kleinere en zeer dicht aan elkander zijn geplaatst. Op de hoogste palen rusten lange balken, die naar het midden schuins oploopen en zich daar eindelijk zeer dicht aan elkander sluiten om het dak te formeeren en te ondersteunen. Uitwendig bedekt men ze met een soort van matten of horden van wilgenrijs en boomschors; daarover spreidt men hooi of stroo en eindelijk een dikke laag aarde.

Dona Clara, hoe vermoeid zij ook wezen mocht, voelde geen den minsten lust om te slapen op het bed dat voor haar gereed was gemaakt.

Dit bed bestond in een groote lange kist of kast van stevig perkament, met een vierkante opening; van binnen was het dik met berenvellen bekleed, op welke zij zich zeer gemakkelijk had kunnen nedervlijen, maar zij verkoos liever in het midden der hut te blijven zitten, bij het haardvuur, dat daar was aangelegd om haar tegen de nachtkoude te beschermen, doch dat weldra dreigde uit te gaan.

Omstreeks middernacht, op het oogenblik toen zij ondanks haar vast besluit om wakker te blijven, zeer slaperig begon te worden, hoorde dona Clara op eens aan de deur der hut een licht gedruisch.

Zij stond haastig op, en bij het uitstervende schijnsel der gloeiende houtskolen zag zij een Indiaansch krijgsman binnenkomen.

Die krijgsman was niemand anders dan de Arends-Veer. Het meisje kon nauwelijks hare oogen gelooven, en bedwong met moeite een vreugdekreet, bij deze onverwachte verschijning van den Sachem der Coras.

Deze hield zich den vinger voor den mond; toen, na een bespiedenden blik in het rond te hebben geworpen, naderde hij dona Clara en fluisterde met eene stem zoo zacht als een zucht:

„Waarom is de Witte Lelie den weg niet gegaan dien de ArendsVeer haar heeft aangewezen? Zoo zij dit had gedaan zou de bleeke maagd, in plaats van gevangene bij die honden van Apachen te wezen, op dit oogenblik reeds bij haar vader zijn."

Sluiten