Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Bij deze verklaring slaakte dona Clara een hartverscheurenden zucht en bedekte zij haar gezicht met de beide handen.

„De Apachan zijn slecht, zij verkoopen de vrouwen," vervolgde de Arends-Veer. „Kent mijne zuster het lot dat haar bedreigt?"

„Helaas!"

„Wat zal de Lelie der dalen doen?" vroeg de Indiaan.

„Wat ik doen zal," antwoordde zij, terwijl een sombere gloed schitterde in hare oogen, „eene dochter uit mijn geslacht wordt nooit de slavin van een Apache; dat mijn broeder mij zijn kaksahkienne (mes) geve, en hij zal zien of ik den dood vrees."

„Achseh (zeer goed)," zeide de Sachem, „mijne zuster is dapper; er zal veel moed en beleid noodig zijn, om te slagen in het plan dat ik bedoel."

„Wat zegt mijn broeder?" vroeg zij met een blik van herlevende hoop.

„Laat mijne zuster hooren; de oogenblikken zijn kostbaar. Stelt de Lelie vertrouwen in mij?"

Dona Clara zag den Indiaan strak aan; zij staarde een poos in dat eerlijk gelaat, en in dat fier en vrijmoedig oog, waaruit ongeveinsde oprechtheid haar tegenblonk. Zij greep de hand van den krijgsman en drukte die in de hare:

„Ja!" antwoordde zij met vuur, „ja, ik stel vertrouwen in u, Arends-Veer; spreek! wat eischt gij van mij?"

„Om u te redden, zal ik, die een Indiaan ben, de lieden van mijn ras verraden," antwoordde de Sachem treurig; „ik zeg dit niet om mijne daad te verhoogen, zuster, maar ik zal u aan uw vader teruggeven. Morgen moet de Zwarte-Kat ten aanzien van geheel zijn stam, het groote toovermiddel van de Bih-oh-akou-es (zweet-hut) beproeven, om te bewerken dat de Zoon des Bloeds met al de krijgslieden die hij onder zijn kommando heeft, in zijne handen valle."

„Dat weet ik."

„Mijne zuster moet de plechtigheid bijwonen. Laat zij wel acht geven op mijne minste wenken, maar vooral zorge zij dat geen van de krijgslieden der Apachen de blikken bemerkt die zij met mij wisselt, anders zouden wij beiden verloren zijn. Vaarwel! tot morgen."

Na eene eerbiedige buiging, niet zonder blijk van teedere belangstelling, verliet de Arends-Veer de calli.

Dona Clara zonk op de knieën, vouwde de bevende handen en richtte tot God een vurig gebed.

Daar buiten hoorde men het huilen der honden zich vermengen met het keffen der coyotes en met de afgemeten stappen der krijgslieden die de calli bewaakten.

Mookapec was een van de schildwachts.

Sluiten