Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

trokken zij in geregelde dansrijen rondom de hut, onder begeleiding van trommel en fluit. In dien tusschentijd had de ZwarteKat, op den hoop gras tegenover de hut, een bisonsschedel geplaatst met den neus naar den wind.

Vervolgens nam hij een langen staak met een nieuwe deken van roode wol aan den top, die hij den Meester des levens zou ten offer brengen en ging dien, door zijne bloedverwanten en vrienden gevolgd, voor de deur der zweet-hut planten.

Het zingen en dansen werd met verdubbelde kracht voortgezet. Het geklater der chichikoué's werd sterker; een soort van razende dweepzucht maakte zich van al de Indianen meester, en de oude vrouwen, die tot op dit oogenblik de plechtigheid bedaard hadden aangezien, stormden in wanorde al schreeuwende naar de hut, en vermengden zich met de huilende en dansende schaar.

Dona Clara zat thans alleen onder den boom aan den rand der Rio-Gila. Niemand gaf acht op haar; het scheen dat men door de algemeene drukte haar geheel vergeten had.

Zij wierp een onrustigen blik in het rond; een donker besef zeide haar, dat de hulp die zij verwachtte van den kant der rivier moest komen.

Toen achteloos met kleine stapjes voortgaande, en telkens nederbukkende om een dier lieve aardige bloempjes te plukken, die wel iets van onze viooltjes hebben en als laatste najaarstooi de prairie versierden, naderde zij ongemerkt den oever der rivier.

Eensklaps voelde zij zich bij een slip van haar japon zachtjes terughouden; zij sidderde, en het was voor haar een oogenblik van vreeselijke spanning.

Tegelijkertijd dat deze onzichtbare hand haar bij de kleederen terughield, fluisterde eene nauwelijks hoorbare stem haar deze woorden toe:

„Rechts af! en buk!"

Zij begreep deze woorden, reeds eer zij dezelve geheel verstaan had. Zij gehoorzaamde zonder aarzelen en na twee minuten een smal pad te hebben gevolgd, dat zich als voor hare voeten opende, bevond zij zich achter een groot rotsblok, aan den rand van den stroom.

Twee paarden, op Indiaansche wijs getuigd en gezadeld, stonden aan een paal tegen de rots vastgemaakt; op een wenk van den Arendsveer, sprong dona Clara op een van de twee, terwijl de Indiaan het andere besteeg.

„Goed!" zeide hij op zijn gewonen innemenden toon. „Moedig hart!"

Toen de beide paarden den vrijen teugel gevende, liet hij er op volgen:

„Sneller dan de storm!"

De half gedresseerde mustangs renden voort sneller dan de wind, zoodat de lichte keien in het oeverzand onder hunne hoeven fonkelden.

Het was op den vollen middag.

Sluiten