Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De Arends-Veer, die dit alles gezien had, liet zich doorzijn aangeboren dapperheid als Roodhuid vervoeren, en in plaats van dadelijk zijne vlucht voort te zetten, zoo als hij had moeten doen, keerde hij zonder aarzelen in de rivier terug, en op het oogenblik dat de Apache weder boven water kwam bukte hij even, greep hem bij zijn lange haar en stiet hem zijn mes in de borst, toen naar zijne vijanden opziende, die dit woeste tooneel uit de verte huiverend aanstaarden, sleepde hij den ongelukkige over zijn zadel, scalpeerde hem en hield den bloedigen haarschedel in triomf naar zijne vijanden omhoog, met een sarrenden oorlogskreet.

De Apachen schoten een hagelbui van kogels en pijlen op hem af, maar troffen hem niet, en de Sachem der Coras, die met zijn gruwzame trophee een oogenblik midden in de rivier onbeweeglijk was blijven staan, wendde eindelijk zijn paard om en keerde naar zijne tochtgenoote terug, die hem bevend van angst op den oever verbeidde.

„Vertrekken wij," zeide hij, den scalp aan zijn gordel vasthechtend, „de Apachen zijn honden, zij kunnen niets beter dan huilen."

„Vertrekken wij!" herhaalde zij, met afgrijzen de oogen afwendende.

Op hetzelfde oogenblik toen zij hunne paarden de sporen gaven, om hun tocht voort te zetten, zonder zich verder om hunne vijanden te bekommeren, die op den anderen oever zich verstrooiden, om een geschikt punt in de rivier te zoeken waar zij haar konden oversteken, bespeurde de Arends-Veer voor zich uit in de verte een wolk van stof, die zich verstrooiende een anderen troep ruiters zichtbaar liet, in vliegenden galop op hen afkomende.

Geen hoop meer," mompelde hij.

XIV.

DE HULP.

Wij zullen thans dona Clara en de Arends-Veer een oogenblik verlaten, om naar de teocali van den Zoon des Bloeds terug te keeren.

Een paar uren voor zonsopgang ontwaakte Valentin.

„Staat op!" riep hij tot zijne kameraden, „het is tijd om te vertrekken."

Don Pablo en Shaw openden de oogen en maakten zich klaar; Curumilla was er niet.

„Ha!" riep de jager, „ik geloof dat de Ulmen reeds op is. Laten wij naar beneden gaan, misschien zullen wij hem in de vlakte vinden."

De drie mannen gingen het gewelf uit en begonnen in het onzekere schijnsel der laatste kwartiermaan, langs de steile trappen der teocali af te klimmen, terwijl zij hunne overige kameraden nog een poos lieten slapen.

Sluiten