Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

der woestijn, zich straffeloos in dit doolhof wagen kon; voor het overige wist hij wel dat al deze paden op de rivier uitloopen en daar deze juist de richting was die de kleine troep volgde, had Valentin zijne aanmerking alleen gemaakt om de drift van don Pablo te "matigen en hem te nopen in zijne nabijheid te blijven.

Na een vrij snellen rit van twee uren, bevonden de jagers zich eindelijk aan den oever der Rio-Gila, die niet ver van hen af hare geelachtige en troebele wateren voortstuwde.

Op het oogenblik dat zij den stroom bereikten, steeg de zon uit de kimmen, in een floers van purperen wolken gehuld.

„Laten wij hier een poos stilhouden," zeide Valentin, „om het plan van onzen veldtocht op te maken."

„Daarvoor hebben wij toch niet veel tijd noodig," antwoordde don Pablo.

„Zoudt gij dat denken?"

„Sakkerloot! het eenige wat wij te doen hebben, geloof ik, is het spoor van den Roode-Ceder te volgen."

„Zeer juist, maar om zijn spoor te kunnen volgen, moeten wij het eerst gevonden hebben."

„Dat is waar; laten wij het dan zoeken."

„Dat zullen wij ook doen."

Op dit oogenblik hoorden zij, niet ver van hen af, een vreeselijk rumoer en geschreeuw.

Hierdoor niet weinig verrast, keken de jagers elkander bezorgd aan, en weldra zagen zij een troep Indianen, die in alle richtingen renden, maar vooral de oevers der rivier volgden.

Zij waren niet verder dan een halve mijl van de jagers verwijderd.

„O ho!" riep Valentin, „wat heeft dat te beteekenen?"

„Het zijn Apachen," zei Shaw.

„Dat zie ik wel," antwoordde de Franschman, „maar wat willen die duivels toch? Zij rijden als gekken, op mijn woord van eer!"

„Ooah!" riep Curumilla op eens, die ook stond te kijken, maar, volgens zijne gewoonte, geen woord sprak.

„Wat zou het toch zijn?" vroeg Valentin, zich tot den Ulmen wendende.

„Ziet gij haar niet," antwoordde deze met de hand wijzende, „dona Clara?"

„Wat! dona Clara!" riep de jager met een sprong van verbazing.

„Ja," hernam Curumilla, „laat mijn broeder slechts zien."

„Inderdaad!" riep Valentin een oogenblik later, „het is werkelijk dona Clara!" Hoe komt die hier?"

En zonder zich aan de Indianen te storen, die zoodra zij hem in 't oog kregen, hem ongetwijfeld zouden nazetten, reed hij in vollen galop naar den kant waar het meisje zich bevond.

Zijne metgezellen volgden hem onmiddellijk, zonder de rivier te ontzien, die op dit punt zeer breed was; stoutmoedig begaven zij zich te water om den stroom over te zwemmen en dona Clara te hulp

Sluiten