Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Apachen hebben het ook begrepen, zie maar eens, hoe zij hem zooveel mogelijk den pas naar de rivier zoeken af te snijden."

„Mijn God! ja, het is zoo," riep Shaw; „wij moeten dien man helpen zijn oogmerk te volvoeren."

„Dat hangt maar van ons zeiven af," hernam Valentin met drift; „kom aan, spoedig den teugel gewend, en stout op de Apachen ingereden; misschien geeft deze kleine afleiding onzen vrienden gelegenheid om hun doel te bereiken."

„Te weerga, ja, dat is een heerlijk idee!" riep don Pablo; „Curumilla had wel degelijk gelijk dat hij ons paarden heeft laten nemen."

„Wat heb ik u gezegd?" hervatte Valentin. „O! die Ulmen is een onbetaalbare man, maak daar staat op!"

Curumilla voelde zijne eerzucht gevleid, hij glimlachte, maar sprak niet.

„Zijt gij gereed mij te volgen," vroeg de jager, „en u te laten dooden, als het zijn moet, om dona Clara te redden?"

„Cascaras.'" riepen de jagers.

„Vooruit dan, en op Gods genade! Elk van ons moet tien man kosten 1" riep de Franschman, terwijl hij zijn paard eensklaps op de achterhoeven deed omzwenken.

De vier mannen renden met vollen teugel op de Apachen in onder een daverend hoerah!

Op behoorlijken afstand genaderd, schoten zij hunne geweren af.

Vier Apachen tuimelden in 't gras.

De Indianen, door dezen stouten aanval vervaard, dien zij geenszins verwacht hadden, verspreidden zich in alle richtingen om den schok hunner vermetele aanvallers te ontgaan; maar spoedig hereenigden zij zich in eene dichte massa en stormden op hunne beurt, met hun gewonen oorlogskreet en onder het zwaaien hunner wapens, op de jagers af.

Maar dezen onthaalden hen op eene tweede losbranding, die andermaal vier Indianen in het zand wierp, en stoven thans ieder een verschillenden kant uit, om zich op honderd of honderd vijftig passen verder weder te vereenigen.

„Moed gehouden, mijne vrienden!" riep Valentin, „die ellendelingen weten nog niet hoe zij hunne wapens moeten gebruiken; als wij willen, kunnen wij ons op deze wijs den geheelen dag amuseeren."

„Dat zal niet noodig zijn," merkte don Pablo aan. „Zie maar eens!"

Werkelijk hadden de vluchtelingen zich het oogenblik rust ten nutte gemaakt. Terwijl de Roodhuiden, door den onverwachten aanval der jagers verschrikt, zich allen tegen dezen vereenigden, was het de Arends-Veer en dona Clara gelukt een eiland te bereiken, van omtrent honderd ellen in omtrek, dat midden in de rivier lag en waar zij zich vooreerst in veiligheid bevonden.

„Nog eens is de beurt aan ons!" riep Valentin. „Een laatste aanval om die roode duivels te doen verdwijnen, en dan naar het eiland."

Sluiten