Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

punt te verbergen waar zij zich ophielden. In het midden des eilands vereenigd en onder het kreupelbosch verscholen, waakten zij rondom dona Clara, die door de vreeselijke tooneelen van den dag overstelpt, eindelijk tot rust was gekomen en op een bed van droge bladeren lag te slapen.

Valentin en zijne vrienden hielden de bewegingen des vijands nauwkeurig in 't oog, die zij in het schijnsel der bivakvuren zeer goed konden waarnemen.

Recht over het eiland, bij een vuur dat grooter was dan de overigen, zaten verscheidene opperhoofden, onder welke zij de Zwarte-Kat duidelijk onderscheidden, naar het scheen in levendig gesprek.

Eindelijk stonden er twee Indianen op en traden langzaam tot aan den rand van het water.

Daar aangekomen, deden zij hunne bisonsmantels af, hieven die boven hun hoofd en lieten ze in de lucht zwaaien.

„Ziet gij dat?" zei don Pablo tegen Valentin, „de Roodhuiden verlangen ons te spreken."

„Wat slapperment kunnen zij ons te zeggen hebben?" antwoordde de jager; „die domme duivels moeten toch wel weten hoe diep wij hier in den nood zitten."

„Dat maakt niets uit, ik geloof dat wij wel zullen doen met hun te woord te staan."

„Wat dunkt er de Arends-Veer van?" vroeg Valentin aan den Coras, die met het hoofd in de hand in diepe gedachten verzonken naast hem zat.

„De Apachen zijn vossen zonder moed," antwoordde de Sachem, „laten wij hooren wat zij willen."

„En gij, penni, (broeder) wat denkt gij?" vervolgde de jager, zich tot Curumilla wendende.

„Mijn broeder is voorzichtig," antwoordde de Araucaansche Ulmen, „laat hij de voorstellen der Apachen hooren."

„Nu dan, zöo gij allen het verlangt, geef ik mij gewonnen; maar ik zou mij zeer vergissen, als er van dit gesprek iets goeds komt."

„Misschien," mompelde Shaw.

„Dat is mijn gevoelen niet," riep don Pablo.

„Een ding staat vast," hervatte Curumilla, „Koutonepi moet hen hier niet ontvangen; de Apachen zijn zeer listig, zij hebben eene dubbele tong en oogen als tijgerkatten."

„Gij hebt gelijk," zeide Valentin; „maar wij zullen hooren wat zij willen."

Hij stond op, gaf Curumilla een wenk hem te volgen, en na zich verzekerd te hebben dat zijne wapens in orde waren, ging hij naar den rand van het eiland.

De Indianen vervolgden nog altijd hun signaal.

Valentin zette beide handen voor zijn mond, in den vorm van een spreektrompet.

Sluiten