Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Wat willen de Bisons-Apachen?" schreeuwde hij.

„De opperhoofden verlangen een mondgesprek met de Bleekgezichten, maar zij kunnen hen niet hooren zoo in de verte. Willen de Bleekgezichten hun het leven waarborgen, dan zullen de krijgslieden tot hen overkomen?"

„Komt over," antwoordde Valentin, „doch onder eene voorwaarde: niet meer dan twee mogen er komen."

„Goed," riep het opperhoofd, „slechts twee krijgslieden zullen komen."

De Apachen stonden een poosje onderling in beraad, daarop maakten zij, tusschen het booge gras aan den oever waar het verborgen lag, een licht vlot los, dat de jagers nog niet hadden opgemerkt, stapten er op en roeiden naar het eiland.

De blanken wachtten hen rustig af, op hunne wapens geleund en in schijn onverschillig, maar intusschen scherp uitziende naar de struiken aan de overzijde, waar de Apachen zonder twijfel verscholen lagen en hen op hunne beurt in het oog hielden.

De Indianen kwamen weldra op het eiland aan wal en traden met al de etiquette die de wet der prairiën voorschrijft den jagers te gemoet.

Toen laatstgenoemden zagen dat de Indianen ongewapend waren, gaf Valentin zijn geweer aan don Pablo, en de Mexicaan wierp het tegelijk met het zijne achter zich op het gras.

„Goed," mompelde de Zwarte-Kat glimlachend, „mijn broeder gedraagt zich loyaal; trouwens, ik had dit van hem wel verwacht."

„Hm! hoofdman," antwoordde Valentin onstuimig, „reeds komplimenten genoeg, wat hebt gij ons te zeggen?"

„Mijn bleeke broeder schijnt zijn tijd niet gaarne in ijdele woorden te verspillen," riep de Indiaan, „hij is een wijs man, ik kom met voorstellen namens de opperhoofden van mijn stam."

„Laat ons die voorstellen hooren, hoofdman; zoo zij billijk zijn, al bevinden wij ons geenszins in zulk een slechten toestand als gij u wellicht verbeeldt, zullen wij ze misschien aannemen, ten einde onnoodig bloedvergieten te vermijden."

„Er zijn op dit oogenblik meer dan tweehonderd krijgslieden op den oever der rivier, morgen zullen er vijf honderd zijn; intusschen, daar de Bleekgezichten geen prauwen hebben en geen otters zijn om zich onder water te dompelen en onzichtbaar den stroom zonder einde ') over te zwemmen, zoo min als vogels om zich in de lucht op te heffen "

„Nog meer?" riep Valentin hem spotachtig in de rede vallende.

„Wat zullen mijne broeders eten, als de weinige voorraad dien zij hebben, is uitgeput? waarmede zullen mijne broeders zich verdedigen, als zij hun laatste kruit hebben verschoten?"

„Ik geloof dat u dat weinig schelen kan, hoofdman," antwoordde

i) Naam dien de Roodhuiden aan de Rio-Gila geven.

Sluiten