Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Hij heeft zijn volk verraden, hij moet gestraft worden."

„Verbeeldt gij u, hoofdman, dat ik ieder gevoel van dankbaarheid in mijn hart zou verstikken, en met voorbedachten rade een man in uwe handen zou stellen, dien ik bemin, en wiens trouw mij te ondubbelzinnig gebleken is, om hem door u, onder de gruwzaamste folteringen, te laten sterven! Als gij dat denkt, ziit gij waarachtig dwaas, hoofdman!"

„Het zal gebeuren, of wee uwer!" riep de Zwarte-Kat, die zijn drift niet langer bedwingen kon.

„Het gebeurt niet!" antwoordde Valentin koelzinnig.

„Het zal zoo zijn!" klonk thans eene fiere en kalme stem. En de Arends-Veer stond op eens midden in den groep.

„Wat!" riep Valentin met verbazing, „zoudt gij u aan de slachtbank overleveren! Dat zal ik niet dulden, hoofdman. Blijf bij uwe vrienden, wij zullen u redden of samen omkomen."

De Coras schudde treurig het hoofd.

„Neen," zeide hij, „neen, dat kan ik niet doen, dat zou lafhartig zijn! De Witte Lelie der vallei moet gered worden. Ik heb haar vader gezworen dat ik mij voor haar zou opofferen; mijn broeder Koutonepi late mij mijn eed gestand doen."

„Maar," hervatte Valentin, „die mannen hebben niet het minste recht op u, hoofdman."

Mookapec boog vastberaden het hoofd, zonder te antwoorden, en volhardde bij zijn besluit.

„Par Nuestra Senora del Pilar!" riep nu don Pablo opgewonden, „wij kunnen dien man niet aan zijn lot overlaten, die ons zoo vele diensten bewezen heeft."

Valentin sloeg de oogen naar den grond, en scheen het niet met zich zeiven eens.

„Goed," hervatte de Zwarte-Kat, „de Arends-Veer blijft hier, en de Bleekgezichten zijn vrij; zij kunnen vertrekken wanneer het hun behaagt, en naar hunne groote hutten terugkeeren, de weg staat voor hen open, de Apachen hebben maar één woord; de krijgsman volge ons."

De Arends-Veer wierp zijnen vrienden een laatsten blik toe, hij slaakte een diepen zucht, maar wist zijne zielesmart met stoïcijnsche geestkracht te onderdrukken, en weldra hernam zijn gelaat dat masker van kalme onverschilligheid, dat den Indianen zoo eigen is; zich tot de twee Apachen wendende, zeide hij met eene vaste stem:

„Ik ben gereed, laten wij gaan."

De jagers wisselden een hopeloozen blik, maar gaven geen verder bewijs dat zij zich tegen het besluit van den Coras zouden verzetten; zij wisten dat al hunne pogingen te vergeefs zouden zijü geweest.

Op dit oogenblik echter kwam dona Clara plotseling te voorschijn; zij trad onverschrokken naar den Indiaan, en hem de hand zacht op den schouder leggende, riep zij:

„Blijf, hoofdman! ik wil niet dat gij heengaat."

Sluiten