Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De Arends-Veer keerde zich om alsof hij een electrieken schok had gevoeld, en wierp het meisje een onbeschrijfelijken blik toe, maar bedwong terstond zijne ontroering enhernam zijn vorige koelbloedigheid.

„Ik moet mij verwijderen," zeide hij zacht, „de Lelie der dalen weerhoudt mij niet, zij weet niet dat van mijn vertrek haar behoud afhangt."

„Ik heb alles gehoord, en ik weetalles," antwoordde zij. „Ik ken de verfoeielijke voorstellen die deze mannen hebben durven doen, en welke voorwaarden zij zich niet geschaamd hebben ons op te leggen."

„Welnu, waarom wil mijne zuster mij dan langer terughouden?"

„Omdat ik," riep het meisje met kracht, „die voorwaarden niet aanneem!"

„Goed! Bij God! zoo mag ik het hooren!" juichte Valentin verheugd, „dat noem ik spreken."

„Ja!" vervolgde dona Clara, „het is in naam van mijn vader, dat ik u verbied u te verwijderen, hoofdman; zoo mijn vader hier was, zou hij zelf het u verbieden even als ik."

„Daar sta ik borg voor," riep don Pablo; „mijns vaders hart is veel te hoog geplaatst om in eene laagheid te bewilligen."

Dona Clara wendde zich thans tot de Indiaansche opperhoofden, die dit tooneel ongeroerd aanstaarden.

„Gaat toch van hier, Roodhuiden," hernam zij op een toon van onbeschrijfelijke waardigheid; „gij ziet wel dat al uwe slachtoffers u ontvallen!"

„De eer gebiedt mij dat ik vertrek," mompelde de Arends-Veer half in zich zeiven.

Dona Clara greep zijne hand en zag hem smeekend aan.

„Mookapec!" zeide zij met hare welluidende stem, „weet gij dan niet dat uwe opoffering nutteloos zoude zijn? De Apachen trachten ons slechts van onzen trouwsten beschermer te berooven, om het met ons zoo veel te gemakkelijker af te doen. De Apachen zijn trouwelooze Indianen; blijf bij ons."

De Arends-Veer aarzelde een poos.

De beide opperhoofden poogden te vergeefs in zijn oog de gevoelens te lezen die hem overstelpten.

Gedurende eenige seconden heerschte in deze zonderlinge menschengroep eene stilte, waarbij men het hart in den boezem had kunnen hooren kloppen.

Eindelijk hief de Coras het hoofd op en antwoordde blijkbaar met moeite:

„Gij vordert het; ik blijf."

Toen wendde hij zich tot de Apachen, die zijn antwoord met angst verbeidden.

„Vertrekt," sprak hij met eene forsche stem; „keert naar de tenten van uw stamvolk terug. Zeg aan uwe broeders, die nooit de mijne zijn geweest, maar die mij meer dan eens hartelijk en gastvrij hebben ontvangen, dat Mookapec, de groote Sachem van

Sluiten