Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

oevers der rivier, waren zij ia twee kampen gelegerd, die door talrijke vuren werden aangewezen.

De dag ging echter voorbij zonder dat er een aanval beproefd werd. Er gebeurde zelfs niets dat de rust der jagers kwam storen voor des anderen daags omstreeks middernacht.

Op dit oogenblik was het stikdonker, geen ster blonk aan den hemel; de maan, achter dikke wolken verscholen, vertoonde niet dan bij lange tusschenpoozen hare bleeke en flauw lichtende schijf.

Het was een van die nachten, omstreeks dezen tijd desjaarszoo veelvuldig voorkomende, dat er een zware mist over de Rio-Gila hing, die alle voorwerpen van nabij en van verre onzichtbaar maakte; de boorden der rivier waren voor het oog verdwenen, zelfs van de wachtvuren in het kamp der Indianen was geen spoor te zien.

De jagers zaten in een kring bij elkander en bewaarden een diep stilzwijgen. Ieder dompelde zich als het ware in den stroom der bittere gedachten die hem het hart overstelpte.

Plotseling hoorde men in de stilte van den nacht een verward en onzeker geluid, als het vallen van een riem in eene kano.

„Hé! wat beduidt dat?" riep Valentin, „zouden de Apachen ons komen overvallen?"

„Laten wij ten minste gaan zien," antwoordde don Pablo.

De vijf mannen stonden op, slopen stil door de struiken en kropen als slangen op hun buik naar den oever, naar het punt waar zij het geluid gehoord hadden.

Tot op zekeren afstand gekomen, hield Valentin op om nog eens te luisteren.

„Ik heb mij althans niet bedrogen," zeide hij bij zich zeiven, „het is wel degelijk het klotsen van een pagaai die in een kano valt, dat ik hoorde. Wie kan ons hier komen bezoeken? Zou het al weder eene Indiaansche streek zijn?"

Met het doordringend en onfeilbaar oog dat hij bezat, peilde de jager de hem omringende duisternis.

Op eens meende hij een voorwerp te zien dat zich in den nevel bewoog.

Het naderde steeds; toen, na nog eens met aandacht de gestalte beschouwd te hebben, die van oogenblik tot oogenblik duidelijker werd, stond hij op, en bleef op zijn karabijn geleund staan.

„Wat weerga! wat komt gij hier nog zoo laat doen, Zonnestraal, mijn lieve kind?" vroeg hij zacht.

De jonge Indiaansche vrouw, want zij was het werkelijk die de jager zoo snel in het oog kreeg, hield zich den vinger op den mond om den spreker voorzichtigheid aan te bevelen.

„Volg mij, Koutonepi," fluisterde zij met eene stem zoo zacht -dat zij door niemand anders gehoord kon worden.

Na eenige oogenblikken te zijn voortgegaan, bukte de jonge vrouw en wenkte den jager hetzelfde te doen.

„Zie!" zeide zij, hem een van die lange en lichte bootjes aanwijzende,

De Roovers der Prairiën. 7

Sluiten