Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

die de Indianen uit groote boomstammen weten te vervaardigen en in welke tien personen gemakkelijk plaats kunnen nemen, „zie hier!"

In weerwil van zijne gewone zelfbeheersching, kon Valentin nauwelijks een vreugdekreet bedwingen.

Hij drukte de jonge vrouw getroffen de hand, met de woorden: „Braaf gedaan, lief kind!" .

„De Zonnestraal onthoudt het wel, dat Koutonepi haar eens gered heeft," zeide zij met een zoet lachje; „het Jiart der Witte Lelie is goed, de Zonnestraal wil u allen redden."

Toen het eerste oogenblik van ontroering voorbij was, wierp de jager, die de listige streken der Roodhuiden maar al te goed kende, de Zonnestraal een uitvorschenden blik toe.

Het'gelaat der schoone Indiaansche teekende zulk een onmiskenbaren gloed van eerlijkheid en oprechtheid dat hij haar ten volle vertrouwen moest.

Valentin stapte in de prauw.

Zij was voorzien van de noodige pagaaien, behalve een goeden voorraad levensmiddelen, en wat hem nog wel zoo veel genoegen deed, zes groote bisonshorens met kruit en twee zakjes met kogels. „Goed," zeide hij, „mijne dochter is erkentelijk, de Wakondah

zal haar beschermen." , ,

Bij deze woorden helderde het gelaat der Zonnestraal op van

zelfvoldoening. . .

Een oogenblik later kwamen don Pablo en de overige jagers

bij Valentin. . a ,

Zij hoorden met de meeste verrassing wat er gaande was, en het gezicht der prauw gaf hun alle geestkracht terug.

Shaw bleef bij de prauw de wachthouden; Valentin, door zijne kameraden en de Zonnestraal gevolgd, keerde naar dona Clara terug, die van ongerustheid niet slapen kon.

Ik kom u hier eene nieuwe vriendin voorstellen, nep Valentin haar reeds in de verte toe, op de Indiaansche vrouw wijzende, die zich schroomvallig achter hem zocbt te verbergen.

O< ik ken haar wel," antwoordde dona Clara, terwijl zij terstond opvloog en de jonge vrouw omhelsde, die door hare liefkoozingen geheel°in verwarring werd gebracht. ..

„Maar," vervolgde Valentin een oogenblik later, „hoe zijt gij toch hier gekomen, Zonnestraal?"

De Indiaansche glimlachte trotsch.

„De Eenhoorn is een groot krijgsman," antwoordde zij; „hij heelt het oog van den adelaar, hij weet alles wat er in de prairie gebeurt; hij heeft het gevaar gezien dat zijn broeder den grooten jager der blanken bedreigt, en zijn hart heeft gebeefd van droefenis. „O!" riep Valentin, „het opperhoofd heeft mij lief.' De Zonnestraal vervolgde:

De Eenhoorn zocht naar een middel om zijn broeder te helpen, hij 'dwaalde rond aan den oever der rivier, toen de mist hem het

Sluiten