Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Navajoés moeten nemen. Maar, als wij dat doen, hebben wij paarden noodig, want onze tocht moet snel gaan."

„Er is slechts één weg open," zei de Zonnestraal ferm.

"Welke?'' vroeg don Pablo.

„Die dwars door het kamp der Apachen loopt.'

„Hum!" mompelde Valentin, „dat komt mij al zeer gewaagd voor* wij zijn maar met ons zevenen, waarvan twee vrouwen.

„Dat is waar!" zei thans de Arends-Veer, die tot dusver niet gesproken had; „maar dat is tevens de weg die ons de meeste kans op welslagen aanbiedt."

„Helder uw plan op," sprak Valentin.

„De Apachen," hernam de Sachem, „zijn talrijk; zij houden ons voor geheel verslagen en ontmoedigd door de gevaarlijke stelling in welke wij ons bevinden. Zij zullen nooit kunnen vermoeden dat vijf mannen vermetel genoeg zouden zijn om in hun kamp door te dringen; in deze hunne gerustheid ligt onze kracht.'

„Ja, maar de paarden! de paarden!" riep de jager dringend.

,Daar zal de Wakondah in voorzien," antwoordde de Sachem; „hij verlaat nimmer de moedigen die op hem hun vertrouwen stellen.'

„Welaan dan," riep Valentin, „op Gods genade!"

„Ik geloof," zei dona Clara, die het gesprek met de meeste aandacht had aangehoord, „ik geloof dat de raad van onzen Indiaanschen vriend goed is en dat wij dien volgen moeten.

De Arends-Veer boog en er tintelde een glans van zelfvoldoening op zijn gezicht. . .

„Dan zullen wij doen wat gij verlangt, zei de jager, zich tot dona Clara wendende; „vertrekken wij zonder onslanger op te houden.

Op eens hoorde men het geschreeuw van den ekster op twee-

verschillende wijzen herhalen.

„Heila!" hervatte de jager, „wat zal ons nu weder overkomen!

Dat is Shaw, die ons roept."

Allen grepen hunne wapens en ijlden naar de plaats waar net

geroep was opgegaan. ... , ,

Dona Clara en de Zonnestraal bleven alleen achter en verscholen

zich in de struiken.

Zonder de drijfveer te kennen die de Indiaansche bewoog om te handelen gelijk zij deed, had dona Clara toch, met dat bepaalde heldere inzicht dat de vrouwen schijnen te bezitten, reeds bij het eerste woord begrepen dat de Zonnestraal in deze aangelegenheid eerlijk en uit een goed beginsel te werk ging en, onverschillig om welke reden dan ook, hun oprecht genegen was. Zij overlaadde haar dus met vleiende woorden en bewijzen van vriendschap.

Buitendien wist zij, dat begeerigheid en hebzucht den grond van het karakter der Roodhuiden uitmaken; zij nam dus den gouden armband dien zij om den rechter pols droeg en deed hem om den arm der jonge Indiaansche vrouw.

Opgetogen over zulk een onverwachte gift, al was zij ook Valen-

Sluiten