Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Daar hij thans niets meer zag, hield hij het voor uitgemaakt dat het eene geestverschijning moest geweest zijn, en zonder verder naar de oorzaak te vragen of het feit te onderzoeken, ging hij weder liggen en sliep gerust in.

De vluchtelingen waren gelukkig het kamp doorgekomen.

„Nu is bet ergste voorbij," zei Valentin.

„Integendeel," antwoordde don Pablo, „zijn wij er erger aan toe dan ooit, daar wij ons nog zoo goed als midden onder de vijanden bevinden, en dat wel zonder paarden."

Curumilla legde hem de hand op den schouder en zag hem bedaard aan.

„Laat mijn broeder zich niet ongerust maken, Mi zal die spoedig hebben."

„Hoe dan?" vroeg de jongman met drift.

„De Zonnestraal," vervolgde de Araucaan, „zal ons wel weten te zeggen waar de paarden van dezen stam zijn."

„Ja," antwoordde de jonge vrouw lakoniek.

„Zeer goed; mijne zuster wijze mij den weg."

„Wacht even, hoofdman! Te duivel neen!" riep Valentin, „ik mag u dat nieuwe gevaar niet alleen laten wagen, dat zou wel schande zijn voor mijn blanke huid."

„Dat mijn broeder dan medega!"

„Dat was ik juist voornemens te doen. Don Pablo moet met Shaw en de Arends-Veer hier blijven, bij dona Clara, terwijl wij afwezig zijn. Wat denkt gij er van, don Pablo?"

,,Ik denk, vriend, dat uw plan niet deugt."

„Denkt gij dat?"

„Ik zal u zeggen waarom : wij zijn hier geen tien passen van de Apachen; met ieder oogenblik kan de een of ander van hen wakker worden en ons zien. Wij zijn zoo even slechts als door een wonder ontsnapt; wie weet hoe uwe onderneming afloopt? Als wij ons verdeelen, kunnen wij misschien niet weder bij elkander komen. Naar mijn gevoelen moeten wij dus allen gezamenlijk de paarden gaan zoeken; dat geeft minder verlies van tijd met noodeloos heen en weer te loopen, en zoodoende hebben wij reeds veel gewonnen."

„Gij hebt gelijk," antwoordde Valentin; „gaan wij dan allen te zamen, dan zijn wij het eerste klaar."

De Zonnestraal ging nu vooraan en nam het geleide der kleine schaar op zich.

In plaats van naar het kamp terug te keeren, zoo als de jagers gevreesd hadden, bepaalde zij zich met het gedeeltelijk rond te loopen, toen hare vrienden een wenk gevende om te blijven staan wachten, ging zij alleen aan het zoeken.

Hare afwezigheid duurde niet lang.

Na verloop van vijf minuten was zij terug.

„Daar ginds zijn de paarden," zeide zij, eene donkere plek in den mist aanwijzende; „zij zijn gekluisterd aan het voor- en achterbeen

Sluiten