Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

en worden bewaakt door een krijgsman, die langzaam bij hen op en neder stapt. Wat willen mijne bleeke broeders doen?"

„Den man dooden, en zooveel paarden nemen als wij noodig hebben," zei don Pablo; „onze toestand gedoogt nu geen zoetsappige beschouwingen."

„Waarom zoudt gij dien armen man dooden, als hij op eene andere wijs onschadelijk kan worden gemaakt?" riep dona Clara medelijdend.

,,'t is waar ook," zei Valentin, haar gelijk gevende, „wij zijn toch geen wilde beesten, zou ik denken."

„De krijgsman zal niet gedood worden," sprak nu Curumilla met eene ernstige stem; „laten mijne blanke broeders maar even wachten."

Hij nam den lasso, dien hij altijd om den schouder droeg, ging op den grond liggen en kroop voorzichtig het hooge gras door; weldra was hij in den mist verdwenen.

De Indiaansche schildwacht wandelde met korte stappen langzaam en tamelijk onbezorgd op en neder, toen Curumilla eensklaps achter hem oprees, hem de beide handen om den hals sloeg en zoo sterk toekneep, dat de Apache, onverhoeds overvallen, zelfs geen tijd had om een enkelen schreeuw te geven.

In een ommezien lag hij op het gras, met een prop in den mond en met den lasso aan handen en voeten zoo vast gekneveld dat hij bijna stikte en geen lid verroeren kon, niet alleen door het onverwachte der overrompeling maar door schrik geheel verbijsterd.

Het opperhoofd nam den gevangene op zijne schouders en droeg hem naar dona Clara, aan wier voeten hij hem nederlegde met de woorden:

„Aan het verlangen mijner zuster is voldaan,'de man is gaaf en ongedeerd."

„Ik zeg u dank, hoofdman," antwoordde het schoone meisje met een lieftalligen glimlach.

Curumilla kreeg een blos van genoegen.

Zonder verder tijdverlies, maakten de jagers zich meester van zeven der beste paarden die zij vinden konden; zij waren reeds gezadeld, maar men droeg zorg hun de hoeven met bisonsvel te omwinden om het gedreun van den galop onhoorbaar te maken, en allen stegen terstond te paard.

Voor ditmaal stelde Valentin zich weder aan het hoofd van den troep.

Zoodra de rit in vollen galop aanving, voelde aller borst, tot hiertoe onder den schier ondragelijken last van zulk een langen en bangen kampstrijd gebogen, zich weder ontspannen en keerde de hoop in aller harten terug.

De jagers waren eindelijk in de woestijn.

Voor hen uit lag de onbelemmerde ruimte; zij hadden goede paarden, wapens en krijgsvoorraad.

Zij hielden zich voor gered en waren het ook in zekeren zin,

Sluiten