Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Pardi! dat begrijp ik nog niet," riep don Pablo.

„Meestal vinden zij niet anders dan nat hout; en hout dat vochtig is, geeft zooals gij misschien wel gezien hebt, een zwaren witten rook, die zich in de prairie moeielijk laat verbergen; de Indianen daarentegen nemen altijd droog hout, dat een lichten rook geeft, die nauwelijks zichtbaar is en spoedig in de lucht verzwindt."

„Dat is bepaald waar! vooral in de woestijn," riep nu don Pablo, blijkbaar overtuigd. „De Indianen zijn slimmer dan wij; zoover zullen wij het nooit brengen."

„Hum!" meesmuilde Valentin, „als gij maar een tijdlang met hen geleefd hadt, zoudt gij nog wel wat anders hebben geleerd."

„Ziedaar!" hervatte de Arends-Veer, „wat heb ik u gezegd?"

Inderdaad waren de jagers die onder hun gesprek altijd hadden doorgereden, op dit oogenblik geen honderd passen ver van de plaats, waar zij het vuur hadden gezien dat zooveel stof tot aanmerkingen opleverde.

Twee Indianen, geheel gewapend en ten oorlog toegerust, kwamen de reizigers te gemoet en zwaaiden met hunne bisonsmantels, ten teeken van vrede.

Valentin trilde van vreugde daar hij hen dadelijk herkende.

Het waren Comanche-Indianen, derhalve vrienden en bondgenooten.

Valentin liet zijn troep halt maken en zijn geweer onbezorgd achter zich werpende, gaf hij zijn paard de sporen en bereikte in twee minuten de Indianen, die nog altijd onbeweeglijk stonden.

Na eenige onverschillige vragen, die men bij dergelijke ontmoetingen in de prairie elkander gewoonlijk doet, hetzij naar den weg of naar den staat van het jachtveld, vroeg de Franschman, ofschoon hij het wel wist, tot welke natie zij behoorden.

„Tot de Comanchen!" antwoordde een der krijgslieden fier, „mijne natie is de Koningin der Prairiën."

Valentin boog op een toon van bevrediging.

„Dat weet ik," zeide hij, „de Comanchen zijn onver winbare krijgslieden, wie zou hun kunnen wederstaan?"

Thans waren de Indianen aan de beurt om te buigen, en zij deden het met een vergenoegden lach over dit onbewimpelde kompliment.

„Is mijn broeder een opperhoofd?" vroeg Valentin verder.

„Ik ben Pethonista (de Adelaar)," zei de Indiaan, den jager aanziende met een blik alsof hij iets gezegd had dat diepen indruk moest verwekken.

Werkelijk bedroog hij zich niet.

Pethonista was de naam van een der meest geachte opperhoofden van het volk der Comanchen.

,,Ik ken mijn broeder," antwoordde Valentin, „en ik acht mij gelukkig hem te ontmoeten."

„Dat mijn broeder spreke, ik hoor hem," vervolgde Pethonista;

Sluiten