Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„de groote blanke jager is geen vreemdeling voor de Comanchen, die hem onder hunne natie hebben opgenomen."

„Wat!'' riep Valentin, „herkent gij mij dan, hoofdman?"

De krijgsman glimlachte.

„Is de Eenhoorn niet de machtigste Sachem der Comanchen?" riep hij; „welnu, toen hij twaalf uren geleden het dorp verliet, heeft hij aan zijn broeder Pethonista gezegd dat hij een groot krijgsman der blanken verwachtte, dien de stam als zoon had aangenomen."

„Dat is waar," riep Valentin, „de Eenhoorn is een deel van mij zei ven, als ik hem zie gaat mijn hart open. Persoonlijk heb ik u niets te zeggen, hoofdman, daar de Sachem u reeds omtrent mij heeft ingelicht; maar ik breng, behalve mijne vrienden, twee vrouwen mede: de eene is de Zonnestraal, de andere de WitteLelie der vallei."

„De Witte-Lelie der vallei is welkom bij mijn stam; mijne zonen zullen zich beijveren haar te dienen," antwoordde de Indiaan edelaardig.

„Ik dank u, hoofdman, ik verwachtte van u iets anders. Vergun mij intusschen dat ik even naar mijne vrienden terugga, die mij met ongeduld wachten, en hun mededeel met welke gelukkige ontmoeting de Meester des Levens mij begunstigde."

„Goed. Mijn broeder keere weder naar zijne vrienden, terwijl ik vooruit naar het dorp ga om mijne jongelieden de komst van een bevriend krijgsman mijns volks aan te kondigen."

Valentin begon te lachen.

„Mijn broeder is er volkomen meester van," zeide hij.

Na het Indiaansche opperhoofd gegroet te hebben reed hij naar zijne kameraden terug, die niet wisten waaraan zij zijne lange afwezigheid zouden toeschrijven.

„Het zijn goede vrienden," riep Valentin, terwijl hij met de hand naar Pethonista wees, die op een heerlijken mustang, hem door zijn kameraad gebracht, zich spoorslags in de richting van het dorp verwijderde. „De Eenhoorn," vervolgde Valentin, „heeft, toen hij gisteren zijn dorp verliet, het opperhoofd gelast om bij ons de honneurs der ontvangst waar te nemen tot hij terug zal zijn; zie maar eens, don Pablo, hoe hij zich haast om de lieden van zijn stam onze aankomst mede te deelen."

„Goed!" riep de jongman, „zoo kunnen wij dan eindelijk ons hoofd gerust nederleggen. Zetten wij terstond door! Wilt gij?"

„Pas op, vriend! niet te haastig," zei Valentin; „integendeel, zullen wij zachtjes aanstappen; de Comanchen maken zeker voor ons eene goede ontvangst gereed, en wij zouden hen hinderen als wij te spoedig aankwamen."

„Dat kunnen wij licht vermijden," antwoordde don Pablo.

„Inderdaad hebben wij thans niets meer te vreezen, rijden wij dus voort op een zachten draf."

Sluiten