Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

geblaf der honden, in één woord, de vreeselijkste verzameling van wangeluiden die men zich zou kunnen verbeelden.

Toen zij het dorpsplein bereikt hadden, geleidde het opperhoofd zijne gasten naar de hutten voor hunne ontvangst gereed gemaakt, die dicht bij elkander gelegen waren.

Vervolgens noodigde hij hen uit om vooreerst wat rust te nemen, met eene beleefdheid die een man van de fijnste beschaving hem had mogen benijden, en verwijderde zich toen, na hun verzekerd te hebben dat hij hen ten twaalf ure zou komen afhalen om aan den maaltijd deel te nemen.

Valentin bedankte Pethonista voor al de oplettendheid die hij hemen zijne kameraden bewees, daarop bracht hij dona Clara met de Zonnestraal in een en dezelfde hut, en trad in de zijne, waar hij de andere jagers bij zich liet komen en hun de meeste voorzichtigheid aanbeval jegens de Comanchen, die als alle Indianen, licht geraakt, zeer gezet op kleinigheiden en in den hoogsten graad ergdenkend zijn.

Curumilla was reeds ingeslapen zonder een woord te zeggen; gelijk een trouwe wachthond, lag hij dwars voor de tent van dona Claro.

Zoodra de beide vrouwen zich daar alleen bevonden, zette de Zonnestraal zich aan de voeten van dona Clara neder, vestigde op haar een helderen blik vol teederheid en zeide met eene zachte, innemende stem:

„Is mijne zuster de Witte-Lelie der vallei over mij tevreden, en heb ik mij goed gekweten van de verplichting die ik jegens haar op mij had genomen?"

„Welke plicht hadt gij jegens mij te vervullen?" vroeg het meisje schertsend, terwijl zij de Indiaansche met de hand over de lange zwarte lokken streek en die al spelende begon saam te vlechten.

„Dat ik mijne zuster zou zien te redden, en in de hutten van mijn stam in veiligheid zou brengen."

„O! ja, arm meisje," zei dona Clara blijkbaar gevoelig, „uwe trouw en ijver voor mij zijn onbegrensd, ik weet niet hoe ik die ooit zal kunnen vergelden."

„Laten wij daar niet over spreken," riep de Indiaansche onwillig het hoofd schuddende; „nu mijne zuster niets meer te duchten heeft, ga ik haar weder verlaten."

„Wilt gij mij verlaten, Zonnestraal!" riep dona Clara ongerust; „waarom dat?"

„Ja," antwoordde de jonge vrouw met eene ernstige stem, terwijl hare wenkbrauwen zich fronsten, „ik heb nog een plicht te volbrengen. Ik heb een eed gezworen, en zoo als mijne zuster wel weten zal, een eed is heilig, ik moet dus vertrekken!"

„Maar waar wilt gij heen, arm kind? Hoe komt gij zoo spoedig op het idee om mij te verlaten? Wat moet gij gaan doen, en werwaarts wilt gij u begeven?"

„Mijne zuster ondervrage mij niet, hare vragen zouden mij slechts bedroeven; ik kan er niet op antwoorden."

„Gij hebt dus geheimen voor mij, Zonnestraal! Durft gij mij niet

Sluiten