Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

te vertrouwen, zottinnetje! Denkt gij dan dat ik niet weet wat gii wilt gaan doen?"

„Kent mijne zuster mijn plan?" riep de Indiaansche met drift, terwijl haar oog fonkelde en eene lichte zenuwachtige trilling haar door de leden voer.

"Wel ja!" antwoordde dona Clara glimlachend, „zou ik dat niet weten . de Eenhoorn is een beroemd krijgsman, mijne zuster keert zeker naar hem terug."

De jonge vrouw schudde ontkennend het hoofd.

„Neen," zeide zij, „maar de Zonnestraal volgt hare wraak."

„Och! ja, nu weet ik het, arm kind," riep dona Clara, terwijl de jonge Indiaansche haar omarmde, „ik herinner mij nu uit welk een vreeselijk ongeluk Valentin u gered heeft."

„Koutonepi is een groot krijgsman," zeide zij, „de Zonnestraal heeft hem lief, maar Stanapat is een hond, de zoon eener Apache wolvin."

De twee jonge vrouwen weenden een poos in stilte, in elkanders armen gestrengeld, en smolten in hare tranen weg; maar de Indiaansche, die het eerst hare smart overmeesterde, droogde schielijk hare oogen af en ontrukte zich aan de omhelzing van dona Clara :

„Waarom zouden wij weenen?" zeide zij, „slechts de lafhartigen schreien en klagen! De Indiaansche vrouwen weenen niet, als men haar beleedigt wreken zij zich!" vervolgde zij op een toon van zonderlinge vastberadenheid. „Mijne zuster vergunne mij te vertrekken, zij heeft mijne hulp niet langer noodig en andere zorgen wachten mij."

„Ga dan, arm meisje, en doe wat uw hart u beveelt, ik heb het recht niet om u terug te houden of u te beletten uw zin te volgen."

„Dank u!" riep de Zonnestraal, „mijne zuster is goed, de Wacondah zal haar niet verlaten."

„Kunt gij mij niet toevertrouwen wat gii doen gaat?"

„Ik kan het niet."

„Zeg mij dan ten minste welken weg gij uit gaat."

De Zonnestraal schudde mistroostig het hoofd.

„Weet het blad dat de storm van de twijgen waait, waar het zal worden heengeblazen? Ik ben zulk een blad; mijne zuster vrage mij dus niets meer."

„Gij wilt het, en ik zwijg; doch eer wij misschien voor altijd scheiden, moet gij mij vergunnen u iets te schenken, dat mij in uw aandenken zal bewaren, als gij ver van mij af zijt."

De Zonnestraal legde met eene bevallige beweging de hand op haar hart.

„Daar woont mijne zuster," zeide zij bewogen.

„Hoor eens," hernam dona Clara, „den vorigen nacht heb ik u een armband gegeven, hier is de andere; deze versiersels zijn voor mij zonder nut, als zij u behaagden zou ik gelukkig zijn."

Zij deed den gouden armband van haar pols en haakte dien om den arm der Indiaansche.

Sluiten