Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zijn in een opzicht wijzer dan de andere Roodhuiden, daar zij ondanks den gestadigen aandrang der Noord-Amerikanen en Spanjaarden, zich van whiskey en brandewijn onthouden en alle soorten van sterken drank schuwen als de pest.

Deze voorbeeldige onthouding is tevens eene staatkundige deugd en een der hoofdoorzaken van hunne meerderheid en zedelijk overwicht boven de andere Indianen.

Zonder hierbij langer stil te staan, hervatten wij den draad van ons verhaal.

Pethonista wenkte een ouden Indiaan die tegen de hut stond te leunen, en gaf hem bevel dat hij de hoofden zou te zamen roepen,

In de dorpen der Comanchen nemen de oude lieden, die tot andere diensten buiten staat zijn, of zich door hun aanzien of bekwaamheid niet tot den rang van Sachem hebben kunnen verheffen, dergelijke postjes waar. Zij zijn gewoonlijk belast met het nieuws van den dag aan de bevolking te verkondigen, de bevelen van den Sachem over te brengen, de plechtigheden te regelen en den raad bijeen te roepen.

Tot het laatste kiest men mannen die een sterke stem hebben. Zij beklimmen alsdan het afdak eener calli en kwijten zich op dit verheven gestoelte van hun ambt met vervaarlijke stemmen en gebaren.

Nadat de bijeenroeping geschied was, geleidde Pethonista zelf zijne gasten naar de raadshut of de zoogenaamde groote tooverloods.

Het was eene ruime hut, geheel zonder meubels, in het midden waarvan een ontzaglijk groot vuur was aangelegd.

Ruim zeventig opperhoofden waren vereenigd en zaten deftig in een kring rondom het vuur nedergehurkt.

In den gewonen regel werden in den raad geene vreemdelingen toegelaten, maar bij de tegenwoordige gelegenheid liet men deze bepaling varen, uit achting voor Valentin, die als aangenomen zoon van den stam door allen geëerbiedigd werd en zelfs zijne vrienden mocht medebrengen.

De nieuw binnenkomenden namen dus plaats.

Een stoel van nopalhout, de eenigste in de hut, was in een hoek der zaal gereed gezet voor dona Clara, die door eene uitzondering zonder voorbeeld in de Indiaansche geschiedenis, en ondanks hare dubbele hoedanigheid als blanke en vreemdelinge, den raad mocht bijwonen, een voorrecht dat zelfs aan geen Indiaansche vrouw vergund is, dan in zeldzame gevallen wanneer zij den rang van een krijgsman heeft.

Zoodra ieder zich zoo goed of kwaad mogelijk had geplaatst, trad de pijpdrager in den kring met de groote calumet of vredepijp in de hand, die hij aanstak en aan Pethonista aanbood.

Het opperhoofd boog de calumet eerst naar de vier windstreken en rookte een paar seconden; daarna, zonder echter den kop der pijp los te laten, bood hij haar beurtelings aan al de aanwezigen,

Sluiten