Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

die zijn voorbeeld volgden en ieder een paar trekken deden. Toen allen gerookt hadden, gaf het opperhoofd de calumet aan den pijpdrager terug, die den kop in het haardvuur leêg schudde, onder het uitspreken van eenige geheimzinnige woorden aan de zon, als de groote bron van licht en leven voor de wereld, en trad, langzaam achterwaarts gaande weder uit den kring, binnen welken hij tot das ver was blijven staan.

„Onze ooren zijn geopend," begon Pethonista, „dat mijn broeder de groote jager der Bleekgezichten het woord neme. Wij hebben de huid van ons hart weggenomen en de woorden die zijn borst uitblaast zullen door ons zorgvuldig worden aangehoord. Wij wachten met ongeduld wat hij ons heeft mede te deelen."

Hiermede eindigde het opperhoofd en maakte eene beleefde buiging voor Valentin.

„Wat ik u te zeggen heb zal kort zijn," antwoordde de jager. „Zijn mijne broeders nog altijd de trouwe bondgenooten der Bleekgezichten ?"

„Waarom zouden wij dat niet zijn?" viel Pethonista hem in de rede. „De groote bleeke harten zijn voor ons altijd goed geweest, zij koopen onze bevervellen en onze bisonshuiden, en geven ons daarvoor kruit, kogels en scalpeermessen. Als wij ziek zijn, zorgen onze bleeke vrienden voor ons, ons voorziende van alles wat wij noodig hebben. Als de winter streng is, en de bisons vertrokken zijn, en het gebrek in onze dorpen begint te heerscben, dan komen de blanken ons te hulp; waarom zouden wij dus niet langer hunne bondgenooten zijn? De Comanchen zijn geene ondankbaren, zij hebben edele en grootmoedige harten, en vergeten nimmer eene weldaad. Wij zullen de vrienden der blanken zijn, zoolang de zon de wereld beschijnt."

„Dank u, hoofdman," antwoordde Valentin; „ik ben gelukkig dat ik u aldus heb hooren spreken, want het uur is gekomen om ons uwe vriendschap door daden te bewijzen."

„Wat zegt mijn broeder?"

„De Apachen hebben de oorlogsbijl tegen ons opgegraven; hunne krijgsbenden zijn in aantocht om onzen vriend den Zoon des Bloeds te omsingelen. Ik kom mijne broeders vragen of zij ons bij deze gelegenheid willen helpen om onze vijanden te bevechten en te verdrijven?"

Er volgde een oogenblik stilte.

De Indianen schenen de vraag van den jager in ernstige overweging te nemen.

Eindelijk, na vooraf de opperhoofden geraadpleegd te hebben, vatte Pethonista het woord weder op.

„De vijanden van mijn broeder en den Zoon des Bloeds zijn ook onze vijanden," begon hij met verheffing van stem; „mijne jongelingen zullen de Bleekgezichten helpen. De Comanchen zullen niet gedoogen dat men hunne bondgenooten ongestraft beleedigt. Laat mijn broe-

Sluiten