Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

komen en mijn broeder Stanapat te helpen de téocali te veroveren, die het niet lang tegen ons zal uithouden."

Deze toezegging, met eene luide en ferme stem gedaan, had al de uitwerking die de Squatter er van verwachtte.

De Indianen aan niets anders denkende dan aan plunderen en aan den rijken buit dien zij vinden zouden, hadden slechts een wensch, namelijk om naar de téocali op te trekken.

Maar, dank zij de Indiaansche bedaardheid, van al de hartstochten die in hun boezem kookten, was er geen spoor op hunne aangezichten te ontdekken. Op kalmen toon bedankte de Zwarte-Kat den Roode-Ceder voor zijne gegeven inlichtingen en zeide hem dat hij zich verwijderen kon, terwijl de opperhoofden over zijn voorstel nader zouden beraadslagen.

De Squatter boog en ging de raadshut uit, door zijne kameraden gevolgd.

„Wel, hoe is het?" vroeg hem de Witte-Gazelle, „wat denkt gij dat de Roodhuiden doen zullen?"

„Wees gerust, Senorita," antwoordde de Squatter meteenonbeschrijfelijken glimlach, „ik ken de Indianen: het plan dat ik hun heb voorgeslagen is te eenvoudig en biedt hun te veel voordeelen aan dan dat zij het zouden afwijzen; ik kan u bij voorbaat verzekeren dat zij het van punt tot punt zullen volgen."

„Ligt dat dorp der Comanchen ver van hier?" vroeg het meisje.

„Neen," antwoordde de Roode-Ceder met opzet, „als wij terstond vertrekken, kunnen wij er heden avond nog zijn."

De Gazelle smoorde een zucht van genoegen, en een hooger blos kleurde haar schoone gelaat.

De Roode-Ceder, die haar ter sluik in 't oog hield, kon niet nalaten in stilte te mompelen:

„Van dat raadsel moet ik zoodra mogelijk de oplossing weten."

Beiden traden de tent binnen.

Inmiddels ging het in den raad juist zoo als de Roode-Ceder voorspeld had.

Na eene korte beraadslaging, die meer over de middelen der uitvoering dan over het voorstel zelf liep, werd het met algemeene stemmen aangenomen.

Een uur later kwam alles in het geheele kamp in beweging.

De krijgslieden liepen ieder naar zijne afdeeling daar de twee troepen moesten geformeerd worden, alles schreeuwde, danste en krioelde wild dooreen, het was een leven en wanorde zonder wederga.

Eindelijk keerde de kalmte langzamerhand terug; de twee afdeelingen marcheerden af, in de verschillende richtingen hun door den Roode-Ceder aangewezen, en weldra waren er in het kamp niet meer overgebleven dan een dertigtal Apachen, die naar het dorp moesten terugkeeren om de bondgenooten af te wachten, welke nog gedurig van onderscheidene kanten aankwamen voor den grooten veldtocht.

Sluiten