Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

nomen, maar zich onder het heengaan half hardop eenige vreeselijke bedreigingen tegen don Pacheco laten ontvallen.

Intusschen had deze zaak, zooals wij zeiden, geen verdere gevolgen gehad. Meer dan eene maand was er reeds voorbij gegaan, zonder dat de twee broeders iets van hunne buren hadden gezien of gehoord.

Op zekeren avond echter, steeg don Stefano te paard op zijn heerlijken mustang en was hij gereed om van de haciënda naar Nacogdoches te rijden, waar hü eenige gewichtige zaken te doen had.

„Gij vertrekt dus?" vroeg hem don Pacheco.

„Onmiddellijk," was het antwoord, „gij weet dat ik deze reis reeds zoo lang mogelijk heb verschoven."

„Denkt gij lang afwezig te blijven."

„Vier dagen op zijn langst."

„Goed; wij wachten u dus niet voor dien tijd."

„Maar het zou wel kunnen zijn dat ik vroeger terugkwam," zei don Stefano hoofdschuddend.

„Waarom dat?"

„Om u de waarheid te zeggen, ben ik niet volkomen gerust."

„Wat zoudt gij vreezen?"

„Ik weet het niet, maar ik vertrek met een beklemd hart; ik ben dikwijls voor veel langer reizen op weg gegaan, broeder, dan die ik van daag onderneem, maar...."

„Nu!" riep don Pacheco, toen hij zag dat de andere ophield.

„Maar ik heb mij nog nooit zoo ongerust gevoeld als op dit oogenblik," vervolgde don Stefano.

„Gij zoudt mij wel bang maken, broeder; hoe is het dan toch met u, schort er iets aan?"

„Ik zou het u niet kunnen zeggen; 't is of ik vooruit gevoel dat er een ongeluk zal gebeuren; ondanks mij zeiven verlaat ik u met een beklemd hart."

„Dat is vreemd," mompelde don Pacheco, op eens aan 't nadenken geraakt; „ik heb het u niet durven zeggen, broeder, maar wat gij gevoelt, voel ik ook, zekere angst voor een aanstaand ongeluk beklemt mij het hart evenals u, ik vrees zonder te weten waarom."

„Broeder," hernam don Stefano op somberen toon, „gij weet hoeveel wij van elkander houden: sedert den dood van onzen vader hebben wij vreugde en smart, voor- en tegenspoed, alles samen gedeeld; dat voorgevoel, broeder, dat ons thans bezielt, is een wenk van God, een groot onheil bedreigt ons."

„Misschien," antwoordde don Pacheco treurig.

„Hoor eens broeder," zei don Stefano, opeens zijn besluit nemende, „ik vertrek niet."

En hij begon reeds van zijn paard te stijgen.

Zijn broeder hield hem terug.

„Neen," zeide hij, „wij zijn mannen, wij moeten ons door geen

Sluiten