Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

dwaze droomerijen laten bebeersehen, die niets anders zijn dan de kinderachtige voorstellingen eener ziekelijke inbeelding."

„Neen, broeder, ik wil liever nog een paar dagen blijven."

„Gij hebt immers zelf gezegd, dat ernstige zaken u naar Nacogdoches roepen; vertrek dus, broeder, maar kom zoo spoedig mogelijk terug."

Er volgde een poos stilte.

De twee broeders dachten na.

De maan steeg bleek en zwaarmoedig op aan den horizont.

„Die Wilke is een schurk," hervatte don Stefano, „wie weet of hij niet op mijne afwezigheid wacht om tegen onze haciënda een van die verschrikkelijke aanvallen te wagen, die men wel zeggen wil dat hem niet vreemd zijn."

Don Pacheco begon te lachen, hij wees met de hand naar de haciënda, wier witte muren trotsch tegen het donker azuur des hemels afstaken.

De Papagallo is te hard van ribben voor de bandieten," zeide hij; „vertrek gerust, broeder, zij zouden niet durven."

„God geve het!" mompelde don Stefano.

„O! die kerels zijn veel te lafhartig, ik heb aan den zooeven genoemde reeds eene welverdiende tuchtiging gegeven."

„Juist."

„Welnu?"

„Het is juist omdat die menschen zoo lafhartig zijn dat ik hen vrees. Canarios ! ik weet even goed als gij dat zij zich niet zullen wagen aan een openlijken aanval."

„Wat heb ik dan te vreezen?" viel don Pacheco hem in de rede.

„Een overrompeling, broeder."

„Zoo! Heb ik dan geen vijf honderd getrouwe peons op de haciënda? Geen nood, broeder, zeg ik u."

„Gij wilt het dus?"

„Ik eisch het."

„Vaarwel dan," zei don Stefano met een gesmoorden zucht.

„Vaarwel dan, broeder, tot weêrziens."

„Tot weêrziens!"

Don Stefano gaf zijn paard de sporen en reed in galop den heuvel af.

Langen tijd volgde don Pacheco met de oogen de donkere schim van den ruiter op het zandige pad, eindelijk kon hij het geluid zijner stappen niet meer hooren, de donkere schim verdween aan een draai van den weg en don Pacheco trad weder in de haciënda, maar smoorde op zijne beurt een zucht.

Intusschen hield don Stefano, te zeer door zijne inwendige onrust gejaagd, zich te Nacogdoches niet langer op dan voor het afdoen zijner zaken noodig was en keerde hij zoodra mogelijk naar de haciënda terug, nauwelijks twee dagen na zijn vertrek.

Het was zonderling, maar hoe meer don Stefano de haciënda naderde, hoe meer zijne ongerustheid toenam en hoe meer hij

Sluiten