Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Deze drie vragen bleven altijd onbeantwoord; want als de onbekende des avonds kwam, was hij den volgenden morgen met het aanbreken van den dag weder verdwenen, om er niet terug te keeren, voor een jaar later, altijd op den verjaardag der schrikkelijke gebeurtenis.

De eenige bijzonderheid van deze zaak was, dat men telkens na het bezoek van dien man, een, twee of drie verminkte menschenhoofden op den heuvel vond liggen.

Welk duivelswerk volbracht daar dat onbegrijpelijk wezen?

Was het don Stefano die zijne wraak kwam volvoeren?

Misschien zullen wij het later nog te weten komen.

XXII.

OPHELDERINGEN.

Wij zijn verplicht in ons verhaal, dat wij hier weder hervatten; een paar stappen terug te gaan, om den lezer op te helderen vanwaar in het dorp der Comanchen de hulp zoo plotseling kwam opdagen, die aan den strijd zulk eene onverwachte wending gaf en Valentin met zijne vrienden van gevangenschap, ja wellicht van een gewissen dood redde.

De Eenhoorn bespiedde zorgvuldig al de bewegingen van den Roode-Ceder en diens troep; sedert de komst van den vrijbuiter in de woenstijn, had hij hem nog geen oogenblik uit het oog verloren.

Achter het dichte kreupelbosch aan den oever der rivier verscholen, had hij als onzichtbaar toeschouwer den strijd aangezien tusschen den bandiet en de jagers; maar met de omzichtigheid die het karakter der Indianen kenmerkt, had hij zijne vrienden volkomen vrijheid willen laten om naar eigen goeddunken te handelen, altoos met voorbehoud om terstond tusschenbeide te komen en hulp te bieden wanneer de nood het vereischte.

Toen hij den vrijbuiter ontwapend en tot het uiterste gebracht zag, oordeelde hij het onnoodig hem vooreerst verder te vervolgen, en keerde hij naar zijn dorp terug, om zijne krijgslieden bijeen te roepen, met hen gezamenlijk naar het kamp van den scalpenjager op te trekken en hem aldaar te overvallen.

Het Comanchenhoofd was alleen verzeld van zijne vrouw, de Zonnestraal, die hij bijna nooit verliet.

Beiden galoppeerden langs de boorden der Rio-Gila, wel zorg dragende dat zij achter de boschjes en lianen aan den oever verscholen bleven, toen op eens een vreeselijk geschreeuw, ondermengd met geweerschoten en den versnelden galop van een paard hun in de ooren drong.

De Eenhoorn wenkte zijne gezellin om stil te houden en steeg af.

Sluiten