Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Toen met de meeste voorzichtigheid het kreupelboseh ingaande, kroop hij als een slang door het hooge gras, tot aan den uitersten zoom van het bosch dat hem verborgen hield.

Daar komende, richtte hij zich langzamerhand op de knieën, en stak het hoofd op om rond te zien.

Voor hem uit zag hij een man in vollen galop aankomen, met eene bewustelooze vrouw dwars voor zich op den zadel.

In de verte reden een aantal Indiaansche krijgslieden, die waarschijnlijk door eene vruchtelooze vervolging te zeer afgemat, stapvoets terugkeerden en weldra achter een heuvel verdwenen.

Intusschen was de vluchteling snel genaderd.

De Eenhoorn herkende hem met een oogopslag voor een blanke.

Toen deze ruiter dicht bij de plaats was waar de Comanch verscholen zat, wendde hij verscheidene malen onrustig het hoofd om, en na zich verzekerd te hebben dat hij niet langer vervolgd werd, steeg hij af, nam de bewustelooze vrouw in zijne armen, legde haar voorzichtig op het gras neder, en liep haastig naar de rivier om in zijn hoed water te halen.

Deze man was Harry, de Canadeesche jager, en de vrouw was Ellen.

Zoodra hij zich verwijderd had, sprong de Eenhoorn uit zijn schuilhoek, wenkte zijne vrouw om bij hem te komen en gingen zij samen naar het meisje, dat geheel buiten kennis op den grond lag.

De Zonnestraal knielde bij haar neder, hief zacht baar hoofd op en begon met allen ijver hare vrouwelijke zorg aan te wenden om Ellen weder bij te helpen.

Bijna onmiddellijk kwam Harry van de rivier terug; maar nauwlijks kreeg hij den Indiaan in het oog, of hij schreeuwde van schrik, liet zijn hoed. vallen en greep driftig een pistool uit zijn gordel.

„Ooah!" riep de Eenhoorn bedaard, „mijn bleeke broeder late zijne wapens maar in rust, ik ben een vriend!"

„Een vriend?" riep Harry op wreveligen toon, „kan dan een roode krijgsman de vriend zijn van een blanke?"

Het opperhoofd kruiste de armen op de borst en trad den jager onversaagd te gemoet.

„Ik zat geen tien passen hier van daan in het lange gras verborgen," zeide hij; „als ik uw vijand was, zou hetBleekgezicht nu reeds dood zijn."

De Canadees schudde het hoofd.

,,'t Is mogelijk!" riep hij, „God geve dat gij waarheid spreekt, want de harde strijd dien ik om dit meisje te redden heb doorgestaan, heeft mij zoodanig uitgeput, dat ik haar niet tegen u zou kunnen verdedigen."

„Goed!" hervatte de Indiaan, „zij heeft niet te vreezen; de Eenhoorn is een Sachem, als bij zijn woord geeft, moet men hem gelooven."

En hij stak den jager broederlijk de hand toe.

Harry aarzelde een oogenblik, maar op eens zijn besluit nemende, drukte hij hartelijk de hand die hem werd aangeboden.

Sluiten