Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Ik geloof u, hoofdman, uw naam is mij bekend, gij zijt beroemd als een wijs en dapper krijgsman, ik verlaat mij op u; maar dan verzoek ik u ook, om mij te helpen dit ODgelukkige meisje te redden."

De Zonnestraal, die zich tot hiertoe onafgebroken met Ellen had beziggehouden, sloeg de oogen op naar Harry, en hem met een blik van onbeschrijfelijke minzaamheid aanziende, zeide zij met hare welluidende stem:

„De jonge bleeke maagd is volstrekt niet in gevaar, binnen weinige oogenblikken zal zij weder tot zichzelven komen; mijn broeder kan gerust zijn."

„Dank! dank! jonge vrouw," riep de Canadees hartstochtelijk, „de hoop die gij mij daar geeft verblijdt mij ten hoogste; nu kan ik terstond heeDgaan om mijn armen vriend Dick te wreken."

„Wat wil mijn broeder daarmede zeggen?" vroeg het opperhoofd, verrast door den gloeienden blik van haat die op eens in de zwarte oogen van den jager fonkelde.

Laatstgenoemde, voor het oogenblik, aangaande den toestand van het meisje gerustgesteld, en door de gulle en broederlijke bejegening van den Indiaan geheel gewonnen, aarzelde niet om hem zijn volle vertrouwen te schenken en hem niet alleen mede te deelen wat met hem zoo pas was voorgevallen, maar ook om welke reden hij het jonge meisje gevolgd en in deze eenzame woestijn was gekomen.

„Nu," zeide hij ten slotte, „heb ik geen andere begeerte dan dat meisjein veiligheid te brengen,en daarna mijn vriend te gaan wreken!"

De Indiaan had het lange verhaal van den jager geduldig aangehoord, zonder hem een enkele maal in de rede te vallen.

Toen het geëindigd was, scheen hij er een poosje over na te denken en antwoordde hij den Canadees, hem de hand op den schouder leggende:

„Dus wil mijn broeder zich op de Apachen wreken?"

„Ja," riep de jager uit, „zoodra ik dit jonge meisje in veiligheid weet, ga ik hen najagen."

„O!" riep de Indiaan bedenkelijk het hoofd schuddend, „wat vermag een enkel man tegen vijftig?"

„Om het aantal mijner vijanden geef ik niet, als ik hen maar achterhalen kan."

De Eenhoorn zag den moedigen jongeling aan met een blik van bewondering.

„Goed!" zeide hij, „mijn broeder is dapper, ik zal hem helpen zich te wreken."

Op dit oogenblik kwam Ellen weder tot zichzelve en sloeg flauw de oogen op.

„Waar ben ik?" murmelde zii-

„Wees gerust, Ellen," antwoordde haar de jager, „voor het tegenwoordige ten minste hebt gij niets te vreezen, gij zijt van vrienden omringd."

„Waar is dona Clara dan? die zie ik niet," hernam zij zwak.

Sluiten