Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Later zal ik u zeggen wat er gebeurd is, Ellen," riep de jager.

Het meisje zuchtte en zweeg.

Zij begreep wel datHarry,in haar tegenwoordigen zwakken toestand, haar met geen verhaal van nieuwe ongelukken wilde bezwaren.

Intusschen was zij door de aanhoudende zorgen van de Zonnestraal weldra tot haar volle bewustzijn gekomen.

,, Voelt mijne zuster dat hare krachten wederkeeren ?" vroeg de Indiaansche met belangstelling.

„O!" riep Ellen, „ik ben nu weder geheel wel."

De Eenhoorn beschouwde haar met een opmerkzamen blik.

„Ja," zeide hij, „mijne zuster is nu weder in staat om op marsch te gaan; het wordt tijd dat wij vertrekken, onze weg is lang; de Zonnestraal zal aan de bleeke maagd haar paard geven, dan kan zij met ons medegaan."

„Waarheen denkt gij ons dan te brengen, hoofdman?" vroeg de jager met blijkbare ongerustheid.

„Heeft mijn broeder niet gezegd dat hij zich wilde wreken?" antwoordde de Comanch.

„Ja, dat heb ik gezegd."

„Welnu, hij volge mij dan en ik zal hem brengen bij de lieden die hem in zijne wraak zullen helpen."

„Hum!" bromde de Canadees, „daarvoor heb ik niemands hulp noodig."

„Mijn broeder vergist zich, hij heeft bondgenooten noodig, want de vijand dien hij zal moeten bestrijden is machtig."

„Dat is wel mogelijk, maar dan moet ik eerst weten wie deze bondgenooten zijn; want ik ben niet genegen om mij andermaal met bandieten zonder trouw of geloof in verband te stellen, gelijk er zooveel in de woestijn rondzwerven en onze kleur schandvlekken. Zoo waar als God mij hoort! hoofdman, ik ben een vrije en eerlijke jager."

„Mijn broeder heeft goed gesproken," antwoordde het opperhoofd glimlachend; „maar laat hij gerust zijn, de lieden daar ik hem brengen zal kan hij ten volle vertrouwen."

„Wie zijn dat dan?"

„De een is de vader der maagd die de Apachen in handen hebben, de anderen "

„Houd op, hoofdman," riep de jager met drift, „die eene is mij reeds genoeg; wie de anderen zijn behoef ik niet te weten; zoodra gij maar wilt, kunnen wij vertrekken; ik zal u volgen, onverschillig waarheen ook."

„Goed. Mijn broeder ga al vast de paarden gereed maken, terwijl ik mijne ciuatl (vrouw) eenige onmisbare inlichtingen geef."

Harry boog, ten bewijze van toestemming, en kweet zich onmiddellijk van zijne taak, terwijl de Comanch zijne vrouw ter zijde nam en eenige oogenblikken zacht met haar sprak.

„Nu kunnen wij vertrekken," zei de Comanch, bij den jager terugkomende.

Sluiten