Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Zal de Zonnestraal niet met ons medegaan?" vroeg Ellen.

„Neen," antwoordde de Sachem laconiek.

De Zonnestraal maakte voor Ellen eene bevallige buiging, lachte haar minzaam toe en ter sluiks door de boschjes wegsluipende, was zij weldra voor de blikken der aanwezigen verdwenen.

Dezen stegen te paard en verwijderden zich in galop, in de tegenovergestelde richting.

"Wij weten welke zaken de Eenhoorn aan de Zonnestraal opdroeg, want wij hebben haar die reeds zien volvoeren, en zullen haar dus niet volgen.

De Comanch meende wel te weten waar hij Valentin en zijne gezellen vinden moest, en reed rechtstreeks naar de téocali.

Na het vertrek van den Gids der Prairiën, hadden don Miguel en de anderen van zijn gevolg in de vesting van den Zoon des Bloeds nog eenige uren rustig geslapen.

Toen zij ontwaakten stond de zon reeds hoog boven den horizont.

De haciendero en de generaal, vermoeid door de beweging van den vorigen dag en weinig aan het leven der woestijn gewoon, hadden hun slaap genoten als lieden die hunne krachten moesten herstellen. Toen zij de oogen openden, stond hun een overvloedige maaltijd te wachten.

Zooverliepen er een paar dagen, zonder dat er iets merkwaardigs plaats had. De onbekende, ondanks de hartelijkheid waarmede hij zijne gasten ontvangen had, hield zich op zekeren afstand en sprak met hen niet meer dan volstrekt noodig was, zonder eenigermate in dat onverschillig gekeuvel te vervallen, gedurende hetwelk men allengs minder bedachtzaam wordt en allicht tot vertrouwelijkheid overgaat.

Er was in de gedragingen van dien man iets zonderling koelbloedigs en stroefs, daar men zich geen reden van kon geven, maar dat intusschen alle vriendschappelijke toenadering uitsloot.

Tegen den avond van den tweeden dag, terwijl don Miguel en de generaal gereed waren zich op de dierenhuiden neer te vlijen, die hun tot bed moesten dienen, kwam hun gastheer bij hen.

Dien dag hadden de beide heeren zekere onrust onder de bewoners der téocali opgemerkt. Er was eene buitengewone drukte geweest, waarschijnlijk maakte de Zoon des Bloeds zich voor een zijner bekende stoute ondernemingen gereed.

Ofschoon de twee Mexicanen zeer verlangende waren om de plannen van hun gastheer te leeren kennen, kenden zij hunne wereld te goed om hem te ondervragen; zij hadden dus van hunne nieuwsgierigheid afgezien, en wachtten geduldig de nadere ophelderingen af, die hij hun zonder twijfel spoedig geven zou.

„Goed nieuws, caballeros!" riep de onbekende zoodra hij bij hen kwam.

„Aha!" mompelde de generaal, „dat is hier zoo welkom als nieuwe fruit."

Don Miguel wachtte tot zijn gastheer zich nader zou verklaren.

Sluiten