Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Een mijner vrienden," vervolgde de onbekende, „is dezen morgen hier aangekomen met een Canadeeschen jager en de dochter van den Roode-Ceder."

Bij deze onverwachte verklaring sprongen de Mexicanen bijna op van verbazing en vreugde.

„Aha!" riep don Miguel, „die vrouw is voor ons eene onwaardeerbare gijzelaarster!"

„Dat heb ik ook al gedacht," antwoordde de Zoon des Bloeds; „overigens heeft het arme kind aan haars vaders wanbedrijven geheel geen schuld, en dat zij zich op dit oogenblik in onze macht bevindt is alleen omdat zij uwe dochter heeft willen redden, don Miguel."

„Wat zegt gij daar?" riep de haciendero met inwendige huivering.

„Ik zal het u duidelijk maken," hervatte de onbekende. En zonder verdere omwegen, vertelde hij nu aan zijne gasten, tot in de kleinste bijzonderheden alles wat er met de vlucht der beide meisjes was voorgevallen, — bijzonderheden die den lezer reeds bekend zijn.

Toen hij met zijn verhaal gedaan had, volgde er een poosje stilte.

„Haar toestand is bedenkelijk," zei de generaal het hoofd schuddend.

„Wij moeten onze vrienden zien te redden, het koste wat het wil," riep don Miguel onstuimig.

„Dat was juist mijn voornemen," zei de Zoon des Bloeds; „wat den toestand van uwe dochter betreft, die is op dit oogenblik reeds verbeterd."

„Hoe dat?" vroeg de haciendero.

„Omdat het voor dona Clara beter is zich in de macht der Apachen te bevinden, dan in die van den Roode-Ceder."

„Dat is waar," beaamde don Miguel.

„Hum! Hoe krijgen wij haar weder uit hunne handen?" riep de generaal.

„Daar ben ik niet ongerust over," zei de onbekende. „Morgen, met zonsopgang, trekken wij met al ons volk naar het dorp van den Eenhoorn, die zijne krijgslieden bij de onze zal voegen, en vandaar gaan wij op weg om het dorp der Apachen te belegeren."

„Zeer goed; maar wie zegt ons dat wij in dat dorp mijne dochter zullen vinden?"

„In de woestijn zien wij en weten wij alles. Denkt gij dat don Yalentin zelf sedert hij ons verliet werkeloos is gebleven? Houd u veeleer overtuigd dat hij uwe dochter sinds lang op het spoor is, zoo hij haar niet reeds in handen heeft."

„God geve het!" zuchtte de vader beklemd. „Maar wie zal ons komen zeggen wat hij gedaan heeft?"

„Hij zelf, wees daar maar niet ongerust over. Doch intusschen, daar wij hier tamelijk ver van het dorp zijn waar uwe dochter vermoedelijk wordt opgehouden, zullen wij ons moeten haasten om bij haar te komen; dus, caballeros, houdt u kloek en sterk, want de dag van morgen zal moeielijk zijn, dat zeg ik u vooruit; thans zult gij mij niet kwalijk nemen dat ik u een goeden nacht

Sluiten