Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

verdediging, het eiland in de Rio-Gila verlaten, en na eene vermetele, bijna miraculeuse vlucht dwars door het kamp der Apachen, de woestijn bereikt, om zich, ofschoon langs een anderen weg, alsmede naar hetzelfde dorp te begeven.

De tocht van een talrijken troep gaat in de wildernis gewoonlijk minder snel dan die van een enkel of van slechts weinige mannen.

Dit laat zich zeer natuurlijk verklaren.

Twee of drie personen die ia elkanders gezelschap reizen, komen overal veel gemakkelijker voort, zij sluipen door het kreupelhout, en volgen steeds de voetsporen der wilde dieren ; een veertigtal ruiters daarentegen, die verplicht zijn de Indiaansche linie te maken, langs paden nauwelijks breed genoeg om er een voor een achter elkander door te komen, moeten vaak hun tocht vertragen en trekken niet dan met de uiterste voorzorg verder, vooral bij eene onderneming zoo gevaarlijk als de tegenwoordige.

Ondanks al hunnen ijver, vorderden zij dan ook slechts langzaam. De roodgloeiende zonneschijf daalde reeds snel in het westen, de schaduw der boomen werd steeds langer, de avondwind begon bij tusschenpoozen te ruischen door de hooge kruinen van het bosch, dat zich links en rechts aan den verren horizont uitstrekte, en op de oevers der rivier verlieten de kaaimans allengs hunne slijkbanken, waar zij zich vadzigin den zonnegloed hadden liggen blakeren, en trokken met loomen tred naar de diepere kolken der Rio-Gila terug.

Zoowel de paarden als de reizigers, afgemat door den langen marsch, sleepten zich met moeite voort, toen de Eenhoorn, die den troep ongeveer honderd passen vooruit was, op eens den teugel wendde en naar zijne kameraden terugreed.

Deze hielden stil om hem af te wachten.

„Wat gebeurt er?" vroeg de Zoon des Bloeds zoodra de Sachem hem bereikt had: „heeft mijn broeder onraad ontdekt?"

„Ja," antwoordde de Indiaan laconiek.

„Dat mijn broeder zich nader verklare."

„Het is niet richtig in de woestijn," hervatte het opperhoofd ernstig, „de gieren en de arenden met witte koppen beschrijven groote-kringen, de damherten en bisons loopen verschrikt rond, de ashatas springen in alle richtingen en de antilopen vluchten zoo •snel als zij kunnen naar het noorden."

De Zoon des Bloeds fronste de wenkbrauwen en stond een poos zonder te antwoorden.

De Mexicanen keken hem bezorgd aan.

Eindelijk hief hij het hoofd op.

„Wat besluit gij uit deze teekenen ?" vroeg hij aan den Comanch.

„Dit: dat er Apachen in de prairie zijn, en wel in grooten getale, want de rust is over eene groote uitgestrektheid verstoord."

„Waarom juist Apachen meer dan'anderen?" hervatte de Zoon des Bloeds; „de gewone woudloopers kunnen immers even goed stoornis in de wildernis veroorzaken als de Indianen?"

De Roovers der Prairiën. 10

Sluiten