Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Geduld!" riep hij, „tot de Sachem heeft uitgesproken."

„Mijn bleeke broeder," vervolgde de Comanch, „zal met de helft onzer krijgslieden den heuvel omrijden en het dorp aan den noordkant intrekken, terwijl ik met de andere helft aan de zuidzijde binnenkom."

„Goed!" riep de Zoon des Bloeds, „maar wij zijn nog ver af, misschien zullen onze vrienden het niet zoo lang uithouden tot wij komen."

De Eenhoorn glimlachte met minachting.

„De Apachen zijn iafïe honden," zeide hij, „de Comanchen zullen zich wel verdedigen; zij weten van geen vluchten."

Zonder verder te antwoorden verdeelde de partijganger zijn troep in twee benden.

Hij nam het kommando over de eerste op zich en liet de andere aan dat van den Comanch over.

Al deze krijgslieden waren Indianen, en sedert lang aan den zoogenaamden kleinen oorlog gewoon. De stoutmoedige overrompeling die men thans wagen zou, beloofde hun een schoone belooning; met fonkelende blikken, trillende lippen, maar overigens kalm als rotsen, wachtten zij met ongeduld op het sein van vertrek.

„Voorwaarts!" riep de Zoon des Bloeds, zijne buks boven zijn hoofd zwaaiende.

Allen bogen zich op den hals hunner paarden en zetten het in vliegenden galop.

Toen zij aan den voet des heuvels kwamen, verdeelde de troep zich in tweeën en reed de eene helft links en de andere rechts.

Ellen werd achtergelaten, onder bewaking van eenige Indiaansche krijgslieden en den Canadeeschen jager, die niet van haar had willen scheiden.

Dit kleine troepje reed zachtkens achteraan en verloor de andere spoedig uit het gezicht.

Intusschen naderden de partijgangers met duizelende snelheid het dorp.

Het werd tijd dat zij kwamen; het dorp onder de vlammen als begraven, geleek een vulkaan. Bij het licht van den brand, zag men vluchtende schimmen angstig heen en weder loopen; gekerm en gejammer en woeste moordkreten, vermengd met daverend krijgsgeschrei en het knallen der vuurwapenen, klonken onverpoosd uit den blakenden vuurpoel.

De partijgangers aarzelden niet, zij zwaaiden hunne wapens, brulden hun oorlogskreet, en stormden van twee kanten het dorp in.

De strijd kreeg thans een ander aanzien.

De Apachen, van twee of drie kanten tegelijk aangevallen, hadden een oogenblik van verbijstering, dat weldra in een paniek en in een volslagen vlucht overging, toen zij de nieuwe strijdkrachten ontwaarden, die als uit de aarde oprezen om hen te vernietigen en hunne zegepraal in eene nederlaag te veranderen.

Maar vluchten ging niet gemakkelijk. De gansche bevolking van

Sluiten