Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

den raad, dan onverschrokken in den strijd; hij is de meest ervaren en meest geëerbiedigde krijgsman van zijn stam."

„Dat mijn broeder de groote jager der blanken zich nader verklare, zoodat ik hem kan begrijpen," antwoordde de Sachemmin of meer ongeduldig.

„Dat mijn broeder mij dan een oogenblik aanhoore," hervatte Yalentin bedaard; „verscheidene Apache-krijgslieden zijn levend in zijne handen gevallen."

„Zij zullen sterven," zei het opperhoofd somber.

„Waarom hen dooden? Zou het niet beter zijn hen op losgeld te stellen en naar hun stam terug te zenden, om den Apachen te toonen dat de Comanchen groote krijgslieden zijn en hen niet vreezen?"

„De Bleekgezichten verstaan niets van den oorlog; een dood man is niet meer te vreezen. Als men een vijand vergeeft is men niet zeker dat hij ons den volgenden dag niet scalpeert. De Apachen moeten sterven, zij hebben mijn dorp verbrand, de vrouwen en kinderen mijner jonge mannen gedood; bloed eischt bloed. Binnen een uur leven zij niet meer."

„Zeer goed," hervatte de jager, die wel begreep dat het hem niet gelukken zou om al de gevangenen vrij te krijgen en hoe ongaarne ook, besluiten moest om iets toe te geven, „de krijgslieden moeten sterven, dat is zoo de wet van den oorlog, ik zal er mij dus niet tegen verzetten; maar daar is er een onder hen voor welken mijn hart ontfermend bewogen is."

„De gevangene Apache-krijgslieden zijn mijn wettig eigendom," bromde de Eenhoorn.

„Dat is ontegenzeggelijk!" riep Yalentin, „en mijn broeder heeft het recht om over hen te beschikken zoo als hem behaagt, zonder dat ik daarop iets wil aanmerken; het is niet meer dan eene gunst die ik mijn broeder vraag."

Het opperhoofd fronste nauwelijks merkbaar de wenkbrauwen.

Yalentin vervolgde, terwijl hij zich hield alsof hij de ontevredenheid van den Sachem niet opmerkte.

„Ik heb er groot belang bij om dien man te redden," zeide hij.

„Mijn broeder is een blanke. De Bleekgezichten hebben een gouden tong, zij weten woorden te vinden om alles te zeggen wat zij verlangen. Mijn broeder weet wel dat ik hem niets kan weigeren; welke is de krijgsman dien hij verlangt te redden?"

„Kan ik verzekerd zijn dat mijn broeder den man daar ik hem om vraag, wie het ook wezen mag, niet dooden zal?"

De Comancli bewaarde een oogenblik de stilte en staarde den jager uitvorschend aan, die op zijne beurt hem scherp in 't oog hield.

,,De Eenhoorn is mijn vriend," vervolgde Valentin, „ik heb een splinternieuw geweer, zoo mijn broeder daar zin in heeft, schenk ik het hem."

Bij deze drangreden kwam er op het gelaat van den Indiaan een heldere glimlach.

Sluiten