Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Goed!" antwoordde hij, „ik neem het geweer aan; het is een goed wapen voor een Sachem. Mijn broeder heeft mijn woord: wie is de krijgsman dien hij redden wil?"

„De Zwarte-Kat."

„Ooah! dat dacht ik wel half; maar het zij zoo, mijn broeder kan gerust zijn, de Zwarte-kat is gered."

„Ik zeg mijn broeder dank," sprak Valentin met vuur; „ik zie wel dat zijn hart edelmoedig is. Hij is een groot krijgsman."

En na het opperhoofd met warmte de hand te hebben gedrukt, keerde Valentin naar zijne vorige plaats terug, in stilte voldaan over de welgelukte onderhandeling.

XXV.

DE MARTELING.

De Apachen, die nu reeds zoolang aan den folterpaal gebonden hun lot hadden afgewacht, beschouwden de toebereidselen voor hunne gruwzame doodstraf met kalme blikken, en geen spier bewoog zich op hun strak en onverschillig gelaat.

Aan hunne, althans oogenblikkelijke koelbloedigheid, zou men gezegd hebben, dat zij niets meer dan toeschouwers moesten zijn in het gruwzame tooneel dat zich hier voorbereidde, en waarop zij intusschen bestemd waren om zulk eene vreeselijke rol te spelen.

Nauwelijks had Valentin hem verlaten of de Eenhoorn gaf bevel om de marteling te beginnen.

Maar op eens, als scheen hij zich te bedenken, richtte hij het woord tot de Comanche krijgslieden.

„Mijne kinderen," zeide hij, hun de Zwarte-Kat aanwijzende, „deze is een opperhoofd, en als zoodanig heeft hij recht op een afzonderlijke doodstraf, in welke hij zijne staodvastigheid en moed in het lijden bij uitnemendheid zal kunnen aan den dag leggen. Laten wij hem op zulk eene wijs naar de velden der gelukzaligen zenden, dat de krijgslieden van zijn volk die hij daar ontmoeten zal, hem eene ontvangst bereiden zijner waardig. Morgen zullen de oudsten en opperhoofden zich weder rondom het raadvuur verzamelen, ten einde voor hem een straf uit te vinden die met zijn rang overeenstemt. Bindt hem los van den paal."

De Indianen juichten met woeste geestdrift deze woorden toe, die hun hoop gaven op een nieuw gruwzaam tooneel voor den volgenden dag.

„De Comanchen zijn lafhartige en bedeesde vrouwen," antwoordde de Zwarte-Kat, „zij weten niet hoe zij de krijgslieden folteren moeten. Ik tart hen uit om mij een klacht af te persen, al duurde mijne straf ook een ganschen dag."

„De Apachen-honden verstaan de kunst van blaffen," zei de Eenhoorn koelbloedig; „maar al is hunne tong lang, hun moed is

Sluiten