Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Waarom wil de bleeke jager mij redden?" vroeg hij met eene heesche stem.

„Omdat mijn broeder een groot krijgsman onder zijn volk is." antwoordde Valentin zonder zich te bedenken; „ik wil niet dat hij sterve, hij is vrij."

En hem terstond de hand biedende, hielp hij den Sachem een eindweegs voortgaan.

De Indiaan volgde zonder tegenstand, maar ook zonder een woord te spreken.

Toen zij de plaats bereikten waar de paarden van den stam in piketten stonden, ging Valentin er een uitzoeken, zadelde het en bracht het den Apache.

Deze was gedurende de korte afwezigheid van Valentin onbeweeglijk op zijne plaats blijven staan.

„Dat mijn broeder te paard stijge!" zeide de jager.

De krijgsman was nog zoo zwak, dat Valentin hem in het opstijgen moest helpen.

„Zou mijn broeder zich in den zadel kunnen houden?" vroeg hij met blijkbare bezorgdheid.

„Ja," antwoordde de Apache laconiek.

De Jager nam bet geweer, den boog en den pantervellen pijlkoker van het opperhoofd, alsmede zijn mes, die hij met zich had gebracht, en stelde ze hem ter hand.

„Mijn broeder herneme zijne wapenen," zeide hij zachtzinnig, „zulk een groot krijgsman moet niet tot de zijnen terugkeeren als een oude vrouw; hij moet ten minste een hert kunnen schieten als hij er een onderweg ontmoet."

De Indiaan hernam zijne wapenen.

Eene stuiptrekkende trilling ging hem daarbij door de leden, 4e dankbaarheid overweldigde bij hem de Indiaansche onverschilligheid.

Dezelfde man die zonder ontroering en zonder een spier op zijn gelaat te vertrekken, den vreeselijksten dood onder de oogen had gezien, werd door het edele gedrag van den Franschman overwonnen.

Zijn hart van graniet werd week in zijn boezem, een traan, misschien de eerste dien hij ooit had geschreid, wel de in zij n door koortshitte nog brandend oog en een gesmoorde zucht ontsnapte aan zijne borst.

„Dank! dank!" zeide hij met eene korte, nokkende stem, zoodra de woorden weder over zijne lippen wilden komen, „dank! mijn broeder is goed, hij is een vriend."

„Mijn broeder is mij niets schuldig," antwoordde de jager eenvoudig, „ik handel slechts naar mijn geweten en naar hetgeen mijn godsdienst mij leert."

De Indiaan scheen een poos na te denken.

Eenige oogen blikken later sprak hij weder.

„Ja," mompelde hij twijfelachtig het hoofd schuddend, „ik heb door vader Seraphin, den meester van de gebeden der Bleekge-

Sluiten