Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zal mij wederkeerig steeds gereed vinden om hem te hulp te komen."

„Dat weet ik," riep de Sachem, „vaarwel! ik keer naar de krijgslieden van mijn stam terug."

„Vaarwel!" zeide Valentin.

Zijn paard met kracht de sporen gevende, verwijderde het Apachenhoofd zich in volle vaart en was spoedig in de duisternis verdwenen.

Valentin beluisterde eenige minuten het doffe gedreun der paardenhoeven op het harde pad; toen ging hij peinzend naar de calli waar Ellen hare zorgen besteedde aan de Witte-Gazelle.

XXVI.

TWEE VROUWENHARTEN.

Ellen was diep bewogen bij het gezicht der jonge en schoone vrouw, die daar bewusteloos op den grond der hut lag en wie het leven voor altijd scheen verlaten te hebben.

Ofschoon zij zich niet herinneren kon haar immer te voren gezien te hebben, gevoelde zij inwendig met haar eene sympathie daar zij geene reden van wist te geven, doch die haar onwillekeurig boeide.

Wie was deze vrouw? Hoe kwam zij, zoo jong nog, onder die moordtooneelen en, om zoo te zeggen, vermaagschapt met die woeste mannen der prairie, voor welke al wat mensch heet vijand, en iedere rijkdom prooi was?

Van waar dat geheimzinnig gezag dat zij over die mannen zonder geloof of trouw scheen uit te oefenen, die zij als kinderen om haar ongeluk deed weenen?

Al deze gedachten wentelden Ellen door het hoofd en vermeerderden, zoo mogelijk, nog hare belangstelling voor de onbekende.

En toch, in den grond van haar hart kwelde haar een onbestemde vrees; een onverklaarbaar voorgevoel waarschuwde haar dat zij op bare hoede moest zijn, en dat deze vrouw, met haar zonderling karakter en hare noodlottige schoonheid, eene vijandin was, die voor altijd haar geluk kon vernietigen.

Maar Ellen, met hare edelaardige ziel, voor welke geen booze gevoelens bestonden, met haar beginsel van gehoorzaamheid aan iedere goede aandrift des harten, zonder te vragen naar de gevolgen die ei later uit konden voortvloeien, bracht terstond de oproerige gedachten in haar binnenste tot zwijgen en zij knielde bij de Witte-Gazelle neder.

Met dien fijnen tact die de vrouwen is aangeboren, ging zij naast de lijderes op den grond zitten, nam het bekoorlijke hoofd op hare knieën, reeg haar het keurs los en begon met onbepaalden

ijver het werk der verpleging. _

De twee meisjes, aldus op den hobbeligen vloer der ellendige Indiaansche hut gegroepeerd, boden een verrassend schouwspel.

Beide met uitstekende maar uiteenloopende schoonheid begaafd,

Sluiten