Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

— de zachtzinnige Ellen met het heerlijkst lichtblonde haar dat men zich verbeelden kan, de vurige Gazelle daarentegen met de warme tint der Spaansche brunetten en met golvende lokken van het glimmendst blauwzwart, — vertoonden zij in twee verschillende rassen, de volmaakte type der vrouw, dat onbegrijpelijk, ook voor haar zelve vaak onverklaarbaar wezen, die gevallen engel om het zoo eens te noemen, ja, maar in welke nog eene straal van goddelijk licht, blijft gloren en die God geschapen heeft voor den man als eene herinnering aan het verloren paradijs.

De Mexicaansche vrouw inzonderheid, die voldongen mengeling van wegslepende aanminnigheden en geweldig opstuivende hartstochten, beurtelings engel of duivel, die tegelijkertijd beminnen en haten kan, en den man harer keuze vaak in een en hetzelfde oogenblik, om zoo te zeggen hemelsche vreugde en de wanboop der hel doet gevoelen.

Wie zou ooit in staat zijn die karakters te ontcijferen, in welke zich deugden en ondeugden zoo wonderlijk dooreenmengen, als moesten zij bij persoonsverbeelding de vulkanische stuipen vertegenwoordigen van den grond waarop zij wonen en die haar het leven schonk. Langen tijd bleven de zorgen van Ellen vruchteloos; de Gazelle lag altijd even bleek en koud in hare armen.

De Squatters dochter begon het ergste te vreezen, zij wist niet meer welk middel zij moest aanwenden, toen de vreemdelinge op eens eene lichte beweging maakte en een flauwe blos hare wangen kleurde; zij slaakte een diepen zucht, en met moeite opende zij de oogleden; zij sloeg een verwonderden blik in het rond, maar sloot bijna terstond weder de oogen.

Een weinig later opende zij die opnieuw, bracht de hand aan haar voorhoofd, als om er de wolken te verdrijven die hare gedachten benevelden, vestigde een strakken blik op de vrouw die baar verpleegde, en op eens, met gefronste wenkbrauwen en bevende lippen opvliegende, rukte zij zich los uit de armen die haar omstrengelden en sprong weg als eene tijgerin naar den versten hoek der hut, maar zonder Ellen uit het oog te verliezen, die verschrikt door deze woeste manieren, niets begreep van hetgeen zij zag ot wat zulk een onbesuisd gedrag beteekenen moest.

De b^ide meisjes stonden zoo een geruime poos tegenover elkander en staarden elkander aan zonder een woord te spreken.

Het was in de hut doodstil en men hoorde geen ander geluid dan het hijgend ademen der twee verschrikte vrouwen.

„Waarom ontvlucht gij mij?" vroeg Ellen eindelijk met hare zachte stem, zoo welluidend als die van een vogeltje. „Heb ik u vrees aangejaagd?" vervolgde zij glimlachend.

De Spaansche luisterde alsof zij den zin van deze vragen niet begrepen had, en terwijl zij gebelgd het hoofd schudde deed deze onverhoedsche beweging het lint breken dat hare zwarte haren ophield, die nu in dichte lokken ordeloos over hare blanke schouders vielen en ze geheel bedekten.

Sluiten