Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Wie zijt gij?" vroeg zij met eene haperende stem op een toon van dreiging en toorn.

„Wie ik ben?" herhaalde Ellen, maar met eene vaste stem en min of meer op een toon van verwijt; „ik ben het, die u zoo pas het leven gered heeft."

„En wie heeft u gezegd dat gij mij het leven zoudt redden?" hervatte de Gazelle.

„Ik ben daarin alleen naar de stem van mijn hart te werk gegaan."

„Ach, ja! dat begrijp ik," antwoordde de Gazelle spotachtig, „gij zijt zeker een van die vrouwen die men in uw land kwakerinnen noemt en die haar leven met preêken doorbrengen."

„Ik ben geen kwakerin," zeide Ellen zachtzinnig; „ik ben eene vrouw die veel heeft moeten lijden, zoowel als gij, en die door uw ongeluk tot deernis bewogen werd."

„Ja! ja!" riep de Gazelle terwijl zij wanhopig de handen wrong en in tranen uitbarstte; „ik lijd veel, ik lijd helsche folteringen."

Ellen beschouwde haar eene poos met medelijden en trad naar haar toe.

„Schrei maar niet langer, arm kind," zeide zij, zich in dereden vergissende waarom de Gazelle tranen stortte; „gij zijt hier in veiligheid en hebt niets te vreezen, niemand zal u leed doen."

De Spaansche hief schielijk het hoofd op.

„Vreezen!" riep zij fier; „denkt gij dan dat ik niet in staat zou zijn mij te verdedigen als men mij beleedigde? Wat heb ik met uwe bescherming noodig?"

En Ellen woest bij den arm vattende, schudde zij haar hevig en riep:

„Wie zijt gij? Wat doet gij hier? Zeg! antwoord mij."

„Gij, die onder de bandieten waart die het dorp hebben aangevallen, moet mij wel kennen!" zei Ellen bedaard.

„Ja, ik ken u," hervatte de Spaansche een oogenblik later, met eene geschokte stem: „gij zijt de vrouw die de Geest des kwaads op mijn pad heeft geworpen om mij al mijn vreugde en gelukte ontrooven. Ik had niet gedacht u zoo spoedig te zullen vinden en ik ben blijde dat ik u hier ontmoet; nu kan ik u eindelijk eens toonen, hoe ik u haat!" vervolgde zij stampvoetende van toorn. „Ga heen, ik haat u!"

Ellen ontstelde hevig door de opgewondenheid der onbekende, en zocht vrachteloos naar de oplossing van deze geheimzinnige gezegden.

„Haat gij mij," antwoordde zij goedaardig. „Om welke reden dan? Ik ken u niet. Het is voor de eerste maal dat het toeval ©ns in elkanders bijzijn brengt; tot op dezen dag hebben wij, zooveel ik weet, in geen de minste betrekking gestaan."

„Denkt gij dat?" hervatte de Gazelle met een spijtigen lach. — „Maar het is zoo," vervolgde zij; „inderdaad hebben wij met elkander niet in betrekking gestaan, en toch ken ik u wel, miss Ellen, gij zijt de dochter van den Squatter, den scalpenjager, den

Sluiten