Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

bandiet, kortom van den Roode-Ceder; gij, die minnarijen durft aanknoopen met don Pablo de Zarate, als behoordet gij tot eene goede familie en niet tot zulk een vervloekt ras! Heb ik ook iets vergeten? zijn dit wel al uwe schoone titels? Zeg, antwoord mij!" riep zij met haar gloeiend rood gelaat dicht bij dat van Ellen, terwijl zij baar opnieuw heftig den arm schudde.

„Inderdaad ben ik de dochter van den Roode-Ceder," antwoordde Ellen koel; „maar wat gij mij over mijne betrekking tot don Pablo de Zarate zegt, begrijp ik niet."

„Zou ik dan misschien liegen ?" hervatte de Spaansche spotachtig.

„En al was het nu eens zoo?" antwoordde thans de Amerikaansche op hare beurt min of meer hooghartig, „wat gaat udat aan? met welk recht vraagt gij mij rekenschap?"

„Met welk recht?" herhaalde de Spaansche vinnig; maar ineens ophoudende en zich tot bloedens toe op de lippen bijtende, kruiste zij de armen op de borst en bekeek Ellen van het hoofd tot de voeten, met een blijk van de uiterste verachting: „Waarlijk," vervolgde zij op sarcastischen toon, „gij zijt een engeltje in reinheid; uw leven is zacht en kalm voorbijgegaan aan den gezegenden haard van vrome en achtenswaardige ouders, die u reeds vroeg al hunne deugden zullen hebben ingeprent, daar zij zelf zoo vol van zijn.... Och! och! zoo hebt gij immers willen zeggen, niet waar?.... Terwijl ik.... Ik helaas! die met vrijbuiters vermaagschapt ben, ik wier gansche leven in de prairie is omgegaan, ik die niets van de bekrompen eischen uwer benauwde beschaving begrijp, niets anders dan de frissche en wilde lucht der vrijheid heb ingeademd! Met welk recht zou ik uwe familie-verbintenissen storen en in uwe kuische minnarijen tusschenbeide komen, wier sentimenteele en smakelooze bijzonderheden allen zoo netjes op de maat van den duimstok zijn afgepast? Gij hebt wel gelijk, ik met mijne wilde zeden en vurigen hartstocht, kan mij niet vermeten uwe liefde te dwarsboomen en door een lossen gril al uwe solide en weloverlegde plannen te vernietigen. Ik ben wel dwaas, waarlijk!" voegde zij er bij, Ellen woest van zich afstootende.

Zij kruiste weder de armen op de borst, bleef tegen den wand der calli staan leunen en zweeg.

Ellen staarde haar een poos aan en zeide toen op minzamen en verzoenenden toon:

„Ik tracht te vergeefs uwe woorden te begrijpen, Senorita; maar zoo zij een feit betreffen dat mij uit het geheugen is gegaan, of zoo ik u bij een of andere gelegenheid, die ik mij niet meer herinner, beleedigd heb, ben ik bereid u verschooning te vragen en al de voldoening te geven die gij verlangt. Onze toestand hier, midden onder deze woeste Indianen, is te kritiek, dan dat ik niet op alle mogelijke wijzen zou trachten tusschen ons, die hier de eenigst aanwezige blanken zijn, den band der vriendschap te sluiten, welke alleen ons sterken en in staat kan stellen om aan de strikken te

I

Sluiten